Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij in alle gevallen echter alles hem tot zegen zou doen strekken, wanneer hij Hem daarvoor, als het koninklijk Opperhoofd der wereld, in zijn hart geheel kinderlijk en onbeperkt de eer toebracht. Daarop begon hij met een zwakke, hartelijke stem: „O, mijn lieve heer! dat geloof ik wel van Hem. De Zaligmaker behoeft slechts zóó te doen (n.1. zgn hoofd een weinig te bewegen) en dan ben ik aanstonds gezond; doch ik wil Hem daarin niets voorschrijven, maar leg mij aan zgn voeten neder. Hij doe met mij wat Hij wil!"

„Willen wij niet met elkander bidden, mijn vriend?" — zeide ik.

„Ja, dat is mij zeer aangenaam^" — antwoordde hij.

Ik maakte mij stilzwijgend gereed, om in de alomtegenwoordigheid des Heeren op te treden; en ziet wat er geschiedde!

„O, Heere Jezus! wat is dat?"—riep de zieke luide uit— „Ach, Heere Jezus! wat is dat ? Ik ben gezond! Mijn breuk is daar juist zoo in mijn lichaam ingegaan!"

Hoe verbaasd stonden wij daar! Doch een der omstanders zag er naar, en inderdaad was het zoo; hij was zonder menschenhanden geholpen.

Het daarop volgend tooneel kan ik onmogelijk beschrijven. Al die gebaarde mannen schreiden van blijdschap als kinderen, en wg baden te zamen, den Heere, voor wiens genade en heerlijkheid geen woorden genoegzaam zijn, onzen dank toestamelende. Een kwartier later kwamen de geneesheeren. „Ziet het eens na, mijn lieve heeren!" — zeide ik — „De kranke is reeds zonder u genezen. Een hoogere hand dan de menschelijke, de hand van Christus heeft zich hier geopenbaard en groote dingen aan dezen man gedaan!"

Met een verbaasden, vragenden blik zag de ervaren, grijze geneesheer alles na en zeide: „Wat is dat? De man is waarlijk gered • en het gevaar voorbij. Maar zoo iets is mij in mijn veeljarige praktgk nog niet voorgekomen."

Hoe vroolijk gingen wij van den lijder, die van dien tijd af nog acht jaren in de vreeze des Heeren in leven bleef, gemeenschappelijk naar huis ! Dit geval is letterlijk waar en heeft indertijd in hoogere kringen blijmoedige deelneming gevonden. O! die altgd mocht kunnen gelooven!

„Heb Ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?" Joh. 11: 40.

Sluiten