Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrede Gods gevonden en behield dien. Haar Christelijk leven eindigde in eenen door geloof en vertrouwen op haren Verlosser gezaligden dood.

„Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik eenen honger in het land zal zenden, niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden des Heeren." Amos 8 : 11.

De Heere heeft mij vergeten, en de Heere heeft mij verlaten!

Jee. 49: 14.

Niet zelden hoort men uit den mond van geloovigen de klacht: „De Heere heeft mij verlaten!" — schoon zij, alzoo sprekende, zich eerder ongeloovigen dan geloovigen betoonen te zijn. Zij is

t aan de Schrift, en wel aan Jes. 49 ontleend. Wanneer klagen zij alzoo ? Laat ons, lezer! dit in eenige bijzonderheden aanwijzen.

Dan, wanneer de tegenspoeden vermeerderen en de hoop op verlossing schijnt verdwenen te zijn. In zulke omstandigheden is het hun vaak bang om het hart, is er vreeze van binnen en schrik van rondom. Dan vragen zij: wat zullen wij eten, en waarmede zullen wij ons kleeden ? Dan verdwijnt de leer der Goddelijke voorzienigheid als uit hun oog; en in derzelver plaats treedt een ongerijmd noodlot, tot

\ welks speelbal de mensch schijnt vernederd te zijn. Dan gedenken zij niet meer aan vroeger genoten hulp en machtige ondersteuning, terwijl de Vorst der duisternis hun de toekomst met de donkerste en zwartste verven schildert. Ach! in zoodanigen toestand zeggen zij: „De Heere heeft mij verlaten!"

„De Heere heeft mij verlaten!" — Zoo klaagt de Christen,

: wanneer hij een inzien krijgt in de afwijkingen, waaraan hij zich dagelijks schuldig maakt, benevens de omstandigheden, die dezelve verzwaren, wanneer hij diep gevoelt de plagen van zijn hart en tot welke misdrijven zij hem zoeken, te leiden. Is het mogelijk, zegt hij in dien toestand bij zichzelven, dat God in mij heeft gewoond? Zou zulk een onder het getal zijner kinderen behooren? Gewis, Hij wendt zijn aangezicht af van een zoo walglijk voorwerp als ik ben. Dus redekavelt hij, terwijl zijn hart zinkt als een steen en hij geen of zeer weinig verkwikking gewaarwordt.

„De Heere heeft mij verlaten!" — Geneigd is de Christen, om dit te zeggen, wanneer de Heere hem blijkbaar zijn gunstige

Sluiten