Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nabijheid onttrekt. Hoe droevig is deze bevinding! Vroeger gevoelde hij vreugde in God. De Schrift was hem zoeter dan honig en honigzeem. Het heiligdom des Heeren was hem een poort des hemels. De Nachtmaalstafel was hem een paradijs. Maar ach! al deze dingen zgn voorbijgegaan. Nu verbergt de Heere voor hem zijn aangezicht; en het gevolg is, dat de genade in zgn ziel kwijnt en het overige in gevaar schijnt, om te sterven. Intusschen, de zonde verkrijgt meer en meer kracht. Zijn hart bezwijkt. De herinnering aan het verleden grieft hem. Hij kan geen tranen storten. Er is niet zelden opstand in zgn ziel tegen God en tegen zgn leidingen met Hem; en slechts nu en dan vindt hg zich bekwaam, om Job na te stamelen: „Och! of ik wist, dat ik Hem vinden zou! Ik zou tot zg'nen stoel komen. Zie, ga ik voorwaarts, zoo is Hij er niet, of achterwaarts, zoo verneem ik Hem niet. Als Hg ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik Hem niet. Bedekt Hg' zich ter rechterhand, zoo zie ik Hem niet."

„De Heere heeft mg verlaten!" — Zoo spreekt vaak de Christen, wanneer de verhooring op het gebed terugblgft. Er is een drukkend kwaad, van hetwelk hg' begeert ontheven te worden, een goed, dat zijn hart wenscht, een betrekking, waarin hij gaarne zg'nen vriend of een zgner bloedverwanten geplaatst zag. Zie, hg stelt zgn begeerten den Heere voor, ernstig biddende om derzelver vervulling; maar de verhooring blg'ft achterwege; hij ziet uit naar verlossing, naar hulp, naar de vervulling van zg'nen wensch, doch tevergeefs. De gedachten vermenigvuldigen zich in zgn ziel; het ongeloof slingert hem; en in overijling doet hg' betuigingen, waarover hij zich later diep te schamen en voor God te verootmoedigen heeft.

„De Heere heeft mij verlaten!" — Zoo klaagt menig kranke. Ach! hoelang reeds spotte de ziekte met de geneesmiddelen der kundigste artsen! Ja, nu en dan scheen er hoop te zgn op herstelling; maar die hoop verdween, gelijk de sneeuw voor de Lentezon. De krankte blg'ft voortduren. De kwaal verergert. Het kwaad wortelt hoe langer hoe dieper in. De pijnen verheffen zich bij vernieuwing. Hoelang was hij reeds gebonden aan zijn leger! Hoe menigmaal heeft hij aireede zgn handen uitgestrekt tot God in den hemel! Hoe dikwijls geroepen om redding! Maar tevergeefs. De morgenstond scheen nu en dan aan te breken, en nog is het nacht.

Wij zouden kunnen voortgaan; maar reeds noemden wij toestanden genoeg, in welke den geloovigen in overijling de taal ontglipt:

Sluiten