Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart. Iets gevoelt hij van derzelver veelheid en grootheid, van het ondankbare, van het onnatuurlijke, hetwelk in de zonde ligt. „Ga niet in het gericht met uwen knecht! Zijt mij genadig, o, God! naar uw goedertierenheid! Om uws Naams wil, vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot!" — Ja, zoo luiden de beden, die telkens door hem uit den diepsten grond van zijn hart troonwaarts worden opgezonden.

De geestelijk belaste gaat ook gebukt onder den last zgner blindheid. Neen, hij ontkent het niet, maar erkent het luide, dat hij van nature blind is en niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zgn. Niet slechts klaagt hij over verblindheid, maar ook over zijn blindheid, bovenal omdat hij door zgn eigen schuld is blind geworden. Ook in dit opzicht acht hij zich verdoemelijk voor God, gedurig smeekende : och i dat mijn oogen mochten geopend worden!

Ook zgn onvermogen, om zichzelven te kunnen redden, drukt hem als een zwaar pak op de schouders. Het is hem duidelijk geworden, dat hij ter lossing zgner ziel niets kan geven, ja, dat hg zonder de krachtdadige genade Gods zichzelven zoomin kan veranderen als een Moorman zijn huid en een luipaard zgn vlekken.

Zijn verdorvenheden werken nog iederen dag, nog ieder uur soms zelfs zeer krachtig in hem, zoodat hij telkens zich genoopt ziet in navolging van Paulus uit te roepen: „Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen?" — Nu en dan en vaak zelfs na lang en bang strijden wordt hij door haar overwonnen. Dan is er duisternis rondom hem; dan is er schrik in zijn ziel; dan klaagt hij luide: „Ik ben gezonken in grondeloozen modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepte der wateren; en de vloed overstroomt mij." — Vroeger bemerkte hij de werking zgner verdorvenheden niet; of zoo hij haar bemerkte, hij beschouwde ze als een gewoon verschijnsel, over hetwelk men zich niet te zeer te bekommeren heeft. Maar nu zijn zij hem tot een zwaren last geworden, te zwa'ar, om te dragen. Nu is hg vanwege zijn inwendige verdorvenheden beschaamd en schaamrood.

De geestelijk belaste zucht gedurig onder den last van zgn ongeloof. Hij kent hetzelve niet alleen als zonde, maar ook als de zwaarste zonde, als de bron van alle andere zonden. Nochtans, gedurig valt hij in dezelve. Tallooze malen miskent hij, ondanks zichzelven, zoo al niet door woord en daad, dan toch heimelijk de onomstootelgke zekerheid van het Woord des Heeren. Terwijl hg schier ieder zgner natuurgenooten, zijn kinderen, zgn dienstboden,

Sluiten