Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag mijner aankomst in mijn nieuwe woning, een hartelijk, ofschoon toch, naar het mij toescheen, ernstig lied van tusschen die pakhuizen hoorde opstijgen; meermalen op dien eersten dag hoorde ik het, evenzoo den volgenden en den derden dag, ofschoon het mij maar niet mocht gelukken, om te ontdekken vanwaar die tonen kwamen. Eindelijk, na lang staren, bemerkte ik op een avond tusschen een paar stallen een klein, eenigszins verlicht venstertje; en daar het mij toescheen, dat het gezang altijd uit dezelfde richting kwam, hoopte ik, dat ik den zanger achter dat raampje zou kunnen vinden. Het gezang was niet mooi of melodieus en nog veel minder volgens de regelen der kunst; het was integendeel zeer eentonig en klonk dikwijls valsch; maar toch — waarom zou ik toen-niet hebben kunnen zeggen — voelde ik er mij door aangetrokken en wilde méér van dien onvermoeiden zanger weten.

Den volgenden morgen bracht ik mijn besluit ten uitvoer; en na eenig zoeken gelukte het mij, om het huisje tusschen de pakhuizen te vinden; het was zeer klein en onaanzienlijk en als het ware in een der pakhuizen ingebouwd, waar het zeker vroeger tot een soort van woning had gediend voor een werkman, aan wien de nachtelijke zorg voor de in het pakhuis aanwezige koopwaren was toevertrouwd; en dewijl het pakhuis waarschijnlijk later een andere bestemming had gekregen, waardoor de voorzorg niet meer noodig was, zoo had men eenige verandering in den ingang van het huisje aangebracht en' was het op die wijze verhuurd geworden.

Inderdaad, veel wordt er aan de woningen der armen over het algemeen niet ten koste gelegd. Als zij maar een dak boven het hoofd hebben en geen gevaar loopen, om door de stortregens overstroomd te worden, of bij iederen rukwind voor het instorten van hun armzalig verblijf te moeten vreezen, hebben zij, volgens sommiger oordeel, reeds reden tot dankbaarheid.

Onze schoenmaker was van deze vrees bevrijd; droog en dicht was het huisje; stevig stond het ook te midden dier groote pakhuizen; maar donker en somber was het niet weinig; het éénig, klein en daarbij vrij verweerd venstertje gaf het uitzicht op stallen en daartusschen een zeer smal strookje van den hemel; en als men de deur openliet, om wat meer frissche lucht te kunnen inademen, dan genoot men het uitzicht op een zeer morsige, of anders, bij droog weder, zeer stoffige steeg, waarin niets te zien was dan die hooge, sombere gebouwen, die alle uitzicht versperden.

Het was nog vroeg, toen ik mijn wandeling begonnen was; en

Sluiten