Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mensch gaat naar zijn eeuwig huis.

Pred. 12:55.

Welk een indruk moest dit woord op ons maken, wanneer wij bedenken, dat ook voor ons het einde komt !•

Zooveel menschen en geslachten zijn gestorven; zooveel geliefde personen zgn heengegaan ; zooveel krankheden hebben ons gewaarschuwd; zooveel jaren zgn voorbijgesneld. Zoodat alles ons met den profeet toeroept: „Alle vleesch is als gras!" — En toch is onze geest met geen denkbeeld minder vertrouwd dan] met deze eenvoudige gedachte, die zoo voor de hand ligt: „Gij zult sterven!" — De

dood is overal, behalve in onze plannen en in onze droomen voor de toekomst. Wij denken aan alles; wij berekenen alles, het mogelijke en zelfs het onmogelijke, behalve die ééne zekere en onfeilbare zaak: het einde, dat nadert. En wilt gij er een bewijs van? Ondervraag de menschen dezer wereld! Werken of genieten, — ziedaar hun leven! Winst of vermaak, — ziedaar hun doel! Spreek met hen over den dood; spreek

tot den man van zaken, van kunsten, of tot hem, die vermaken najaagt, over de ijdelheid van zgn leven, hij zal u aanzien met verwondering als een droomer, of met ongeduld als een indringer, of ook wel met toorn als een vijand, die hem zgn goed komt ontrooven. Dat hij eens moet sterven en dat eenmaal alles, wat hij hoopt, in het niet zal verzinken, — dat is mogelijk. Maar wat er ook van zgn moge, hij kan, hij wil het zich niet voorstellen; hij leeft; dat is genoeg; en hij handelt, als zou hij eeuwig leven.

Sluiten