Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan zal ik met de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen mijn kroon nederwerpen voor het Lam en hetzelve toebrengen de heerlijkheid, de eer en de dankzegging tot in alle eeuwigheid. Mgn ziel zeide: „O, Heere Jezus! hoelang zal ik dan nog hier zijn? Moet ik nog iets verrichten ter uwer eer en ter uitbreiding van uw koninkrijk? Zal ik nog een middel moeten zgn, om zielen te bekeeren en U toe te brengen, en wilt Gij daar uw heerlijkheid in stellen? O! Gij zult mij toch liefhebben tot den einde toe, want Gg zijt de mijne, en ik ben de uwe geworden door den huwelgksondertrouw, waarin Gij nooit zult veranderen. Schoon ik al ontrouw mocht worden, Gij blgft echter getrouw, als de eeuwige, onveranderlijke God, nevens den Vader en den Heiligen Geest; Gg kunt Uzelven niet verloochenen. Ik verbind mij wederom opnieuw aan U en draag mij met ziel en lichaam, welke toch de uwe zijn en blijven zullen, voor tijd en eeuwigheid aan U op, om voor U te leven, dewglGij ze beide gekocht hebt door uw dierbaar bloed; en daarom ben ik ook niet meer mijns zelfs, maar de uwe geworden, om U te dienen en te verheerlijken. Als het U dan behaagt, beminnenswaardige Heere Jezus! schenk mij dan ook meer Geesteslicht en genade; heilig mij door uwen Geest en maak mij bekwaam, om voor U te leven, ja, zelfs mgn leven niet dierbaar te achten, als Gij er maar door verheerlgkt mocht worden. O! dan zal ik met den zaligen zanger kunnen zeggen: ik verlang wel naar U, doch ik wil den tijd afwachten. Hebt Gij voor mij nog werk op aarde? O! geef mij dan maar lust en krachten, want mijn pand blijft toch bij U bewaard."

Het gebeurde eens, wanneer ik te Zevenhuizen bezig was in mgn beroep, bij een man, die óók den wortel der zaak bezat, dat ik op een Vrijdagnamiddag, omtrent drie uur, onder indrukken van des Heeren tegenwoordigheid geraakte; ik kreeg zulke sterke begeerten in liefdesnitgangen mijner ziel naar de onmiddellijke gemeenschap van den drieëenigen, volzaligen en algenoegzamen God, dat ik begon te zingen het eerste vers uit den 42sten Psalm:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot

Van de frissche waterstroomen Dan mgn ziel verlangt naar God.

Ja, mgn ziel dorst naar den Heer'!

God des levens! ach! wanneer Zal ik naadren voor uw oogen, In uw huis uw Naam verhoogen?

Sluiten