Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik vernieuwde toen wederom het verbond met den Heere op de voldoening van Christus aan zijn gerechtigheid voor al mijn zonden; ik bad den Heere vuriglijk, dat Hij mij voor tijd en eeuwigheid een Bondsgod blijven wilde en ik een van zijn bondsvolk zgn mocht en dat .Hij nu van achter mij niet wilde afwijken, maar mij heiligende genade schenken wilde, opdat ik niet beschaamd mocht zijn, om in zgn inzettingen te wandelen en zijn rechten lief te hebben; daartoe vond ik nu lust naar den inwendigen mensch; ik wenschte al de geboden des Heeren voor vast te houden en alle valsche paden te haten, die strijdig waren met zijn heilige Wet, waarin Hij zijn wil aan zijn bondsvolk heeft bekendgemaakt, om naar dezelve te leven en hen geduriglijk te beproeven. Ik zag zooveel ^zaligheid in heilig te zijn, gelijk God heilig is, waartoe ik nu geroepen was, en dat ik zulks moest zijn in al mijn wandel, zoodat mijn ziel moest uitroepen: „O, Heere God! Gij hebt immers gezegd, dat Gij uw volk heiligen zoudt en dat zulks uwen huize zou sierlijk zijn! Wel, heilig mij dan, Heere! Heilig mij! Ik moet heilig zijn als Gij. O! dat zou nu mijn zaligheid zijn; verander mij toch meer en meer naar uw zalig en heerlijk beeld, opdat de zonden niet meer in mij heerschen, want Gij haat dezelve en zijt te rein van oogen, om het kwaad te kunnen aanschouwen." — Ik riep uit: „Heerel al wat ik ben, met ziel en lichaam, is nu gewillig, om in tijd en eeuwigheid voor U en tot uw dienst te leven, als Gij mij daartoe, op mijn verlangen en bidden, genade en kracht gelieft te geven, want zonder dat zal ik ontrouw bevonden worden, aangezien de oude mensch in zijn vijandige werking, die geen lust "heeft, om U hartelijk lief te hebben, geen lust, om U te dienen en voor U te leven, in mij nog niet is ten onder gebracht. Ik betuig met Asaf, naar den nieuwen mensch, die in de beginselen vernieuwd is, naar uw zalig beeld: „„Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens TJ lust mg' ook niets op aarde. Bezwijkt mijn hart en vleesch, zoo zijt en blijft Gij de rotssteen van mg'n hart en mg'n j deel in eeuwigheid." "

Ik hield bij den Heere aan, dat Hij zulks ook eens als de God ; des verbonds wilde leeren aan al zijn bondsvolk, dat uitverkoren geslacht, dat koninklijk priesterdom, dat heilig en verkregen, dat Vrijwillig volk. Want ook zij zgn geroepen uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht, om Gods zalige en heerlijke deugden overal tê ; verkondigen; zij hebben immers ook met hart en hand betuigd, dat t zg' voor tgd en eeuwigheid wenschen des Heeren te zgn en te blijven,

6

Sluiten