Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begeerlijk was; ik aanschouwde den Koning in zgn heerlijkheid; ik zeide tegen mijn Liefste, den Heere Jezus: „Wat zijt Gij niet aanbiddens- en dienenswaardig! Gij zijt mijn troost, blijdschap en rijkdom, mijn algenoegzaamheid en zielberustend goed, de God mijner zaligheid." — Hij deed mij zien, en ik kon het gelooven, dat er nu geen verdoemenis voor< mij kon zgn; Hij had nu alles voor mij volbracht, wat zgn Vader van Hem als Borg geëischt had in mijn plaats; wie kon nu beschuldiging tegen mij inbrengen? De Vader had mij vrijgesproken in zijn vierschaar om "Christus' gerechtigheid. Hij, die de Rechter zal zijn, is mgn God en Vader geworden; Christus, mijn Voorspraak, was gestorven en ook opgewekt. Ik vond zulk een openleggen van mijn hart voor den Heere Jezus en smeekte: Hij mocht zich toch van mij niet onttrekken en heengaan, alvorens Hij mg'n ziel van het lichaam ontbonden had, opdat ik eeuwig in zgn zalige nabijheid gevonden mocht worden, om te leven in vereenigende liefdesoefeningen, zonder ooit weder te scheiden. Ik zag, dat mijn Koning den dood voor mij overwonnen had, en kon in Hem denzelven braveeren en uitroepen, gelijk ik ook deed: „Dood! waar is uW prikkel? Graf! waar is uw overwinning? De prikkel des doods is de zonde, en de kracht der zpnde is de Wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heere!" —Ja, ik zag zooveel zaligheid in den dood, omdat dezelve mij zou vrijmaken van het lichaam der izonden, van alle lijden, kruis en verzoekingen, van den duivel en van een wereld, die in. het booze ligt, alsmede van allen haat en laster der goddeloozen, bespotting, moeite en verdriet.

Ik zag klaar, dat ik dien witten keursteen was deelachtig geworden, jwaarop de nieuwe naam geschreven is, welken niemand kent dan die hem ontvangt, want ik ondervond, dat ik nu vrede gemaakt en ^gekregen had met een drieëenig God; ik had vrede met mgn consciëntie; ja, alles was met mij bevredigd, en ik bespeurde den ; vrede Gods in mijn ziel, die alle verstand te boven gaat. De Geest f Gods had dit getuigenis al in mij gewrocht, dat ik in Christus voor (God gerechtvaardigd ben en in zijn vierschaar was vrijgesproken tvan schuld en straf; dat ik een deelgenoot was van Christus' I gerechtigheid en dus een erfgenaam van het eeuwig leven, volgens Ihet 59ste antwoord in den 23sten Zondag; en zoo heeft de Geest 'Gods met mijnen geest al wederom getuigd, dat ik een kind Gods ^was; ik kon mij in dat zalig gezicht met David dus in den Heere ''verblijden, dat ik er over moest uitroepen: „Welgelukzalig is hij,

Sluiten