Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wiens overtredingen vergeven, wiens zonden bedekt zgn. Welgelukzalig is de mensch, wien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest geen bedrog is !'.'

Ja, ik zag nu, dat er geen verdoemenis voor mij was, omdat-ik mg in Christus vond. Leefde ik nu nog, ik leefde den Heere; en wilde mijn Koning mij ontbinden en tot Hem nemen in heerlgkheid, ik stierf ook den Heere. Hetzij dan dat ik nog in het lichaam moest inwonen, naar des Heeren wijzen raad, of dat ik stierf, ik bleef des Heeren. Ik was toen nog omtrent een uur met den Heere Jezus door liefdesvereeniging zoo werkzaam, in en onder verbinding en overgeving van mijn ziel aan Hem, dat er niets was, dat mij van zgn liefde kon scheiden. Mgn liefhebbende Heiland deed een vraag aan mgn ziel, namelijk: „Als ik eens geroepen werd, om zijn Naam te belgden, of als ik eens voor zijn zaak ter dood geëischt werd, of ik Hem dan wel in den dood volgen zou en of ik dan niet liever mijn leven zou willen behouden dan het voor Hem over te geven en te sterven?"

Ik vond mij op dat oogenblik zoo gewillig en overgegeven voor den Heere Jezus, dat, al eischte Hij tien, ja, honderd kruisdooden, als Hij mg slechts zgn liefde en genadekracht deed ondervinden, welke ik thans genoot, zoo was Hij mij wel duizendmaal dierbaarder dan mgn eigen leven, want ik ondervond, dat de liefde van den zaligen Heere Jezus sterker was dan de dood, de ijver harder dan het graf; haar kolen zgn vurige kolen, vlammen des Heeren; vele wateren, hoe zwaar het kruis des lijdens ook zou mogen zgn, zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen.

Doch ik kende ook mgn zwakheid en wist bg bevinding, dat ik zonder den Heere Jezus niets kon doen of lijden; en daarom viel ik op mgn aangezicht voor Hem neder; ik mocht Hem door het geloof aanschouwen, .en ik zag zooveel heerlgkheid en zaligheid in Hem, dat ik reeds den voorsmaak genoot van het eeuwig leven, want ik mocht zgn heerlgkheid aanschouwen, een heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Ik moest in heilige verwondering uitroepen: „Heere! wie kan U zien en leven? Wee mg! Ik verga, omdat ik een man ben van onreine lippen, een zondig niet, een worm! Ik ben maar een eindig schepsel! O, Heere! ik kan dat oneindige in U niet bevatten, noch dragen. Laat mg nu aan uw mond sterven, Heere Jezus! want nu zien U mgn oogen, en ik zal voor dat oneindig zalige in den hemel eerst vatbaar zijn. O! wat zal dat te zeggen zgn, als het volmaakte

Sluiten