Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deden omtrent Elisa, want zij vergaderden zich bij elkander en zeiden: „Daar komt de fijne kwaker aan. Laat ons nu vloeken IV -En dit deden zij zoo vreeselijk, tot spijt van mij en tot smart mijner ziel, want zij lasterden den heiligen, vreeselijken en heerlijken Naam Gods; en het was een bewijs van zijn groote goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, dat Hij de aarde niet opende, als ten tijde van Korah, Dathan en Abiram, om hen levend te verslinden. Zij wierpen mij met steenen na, wat menigmaal gevaarlijk was, en geheele benden liepen mij na met vreeselijke uitdrukkingen en lasterende: „Ik wilde wel, dat gij door zon en maan geslagen werd!" — Maar de Heere ondersteunde mij, omdat toch zijn oogen op de rechtvaardigen zijn en zijn ooren tot hun geroep. Hij geeft gezegd: „Die hen aanraakt, die raakt mijn oogappel aan !"

0! wanneer ik in mijn binnenkamer in het verborgen kwam en mijn knieën boog voor den Heere, dan was mijn gebed en smeeking nog voor hen ten goede; ik bad met den Heere Jezus en voor zijn en mijn vijanden: „Vader! vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen!" — en dat, zoo zij nog onder het zegel der verkiezing lagen, hun dan nog de Geest der bekeering en genade mocht geschonken worden.

Onder dit alles deed de Heere mij genoeg staande blijven, dewijl ik mij bewust was, dat ik om de eer van Gods heiligen Naam en de zaak van Christus den laster, de smaadheid en vervolging moest ondergaan, en zulks uit liefde voor een drieëenig God.

De Heere heeft mij meer dan ée'ns zijn wonderen doen zien in het bewaren van zijn volk en in het zichtbaar straffen der goddeloozen. Hiervan zal ik slechts twee voorbeelden bijbrengen. Het eerste gebeurde met iemand, die mij beschuldigde, dat ik de menschen zoo licht veroordeelde en verdoemde; dit is toch de gewone laster der blinde natuur, omtrent het getrouw behandelen van 's menschen onsterfelijke ziel. In dien mensch wrocht de duivel zoo krachtig, als zijnde een kind der ongehoorzaamheid, dat hij voornam, nit haat en vijandschap tegen mij, mijn glazen in te slaan. Maar de Heere, die alle schepselen in zijn macht en gebied heeft, zoodat zij zich tegen zijnen wil niet roeren of bewegen kunnen, liet hem met Abimelech zulks niet toe, want Hij nam hem 's morgens op het vreeselijkst door een schielijken dood naar een onherroepelijke eeuwigheid, eer hij zijn kwaad voornemen nog ten uitvoer had gebracht. Het tweede geval gebeurde met een jongeling van omtrent negentien jaren oud; het was in den Winter, op een avond, omstreeks halfnegen, wanneer bij ons de deuren der

Sluiten