Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woorden, wanneer men hem had gevraagd naar zijne lengte: „Ach, ik wil altijd een span langer zijn dan ik ben, en ik „ben er dikwijls over bezorgd, dat ik te kort en'te kJ.ein ben; „want die lieden, welke een lange gestalte hebben, zeggen, „dat ik niets geld, en meten mij van het hoofd tot de voeten, „en daarbij word ik dan al kleiner en kleiner, totdat ik een „worm word, die zich in het stof tot zg'nen Schepper uitstrekt. „Hij toch geeft aan ieder zijn bepaalde maat en ter Zijner tijd „ook den wasdom; en terwijl fk nu klein word voor het aangedicht van mijn grooten God, en met den kleinen Jo«ua, Caleb „en David op Hem zie, word ik getroost dat ik geheel naar de „maat der Wet ben, en de Og's en Goliath's en alle reuzen „hebben voor mij hunne lange schaduwen niet meer, en dan „wordt die groote bultige berg Basan klein bij den anders zoo „lagen heuvel Sion." Jes. 2:2; Ps. 68 : 17.

Alvorens wij van de dienstknechten en de zonen afstappen, wijzen wij er op, hoe de Heilige Geest het onderscheid op eene treffende wijze heeft beschreven in Ezecb. 46:16, 17. Zonder bij den letterlijken zin van deze woorden stil te staan, die bij eene duidelijke lezing van het verband van deze woorden gemakkelijk te verstaan is, bepalen wij ons alleen bij den geestelijken zin.

De Vorst is de Vorst Messias, de Heere Jezus Christus, Wien van Zg'nen Vader alle macht is gegeven in, hemel en op aarde, Die die macht heeft als een wettig verkregen erfenis. Van die erfenis deelt nu die groote Vorst, naar Zijn welbehagen, uit aan de zonen en aan de dienstknechten. De zonen ontvangen van Zijne erfenis een "geschenk. Het grootere of kleinere van dat geschenk is in Zijne hand, het is eene gifte, door den Gever -zelf bepaald. Dat geschenk nu in geestelijke weldaden, gaven en genade bestaande, zullen de zonen hebben tot hunne bezitting. Zij zullen het hebben én zij zullen het houden.

Doch wanneer de Vorst een geschenk zal geven van Zijne erfenis,- aan Zijne dienstknechten, dan zullen zij die behouden tot het vrijjaar, toe, dat is in dat jaar dat hun nog genade wordt aangeboden, hetwelk geëindigd is bij den dood. Dan zal het geschenk tot den Vorst wederkeeren. Dan zullen alle gaven hebben uitgediend, dan hebben de knechten hun werk afgedaan* dienstbaar geweest zijnde aan den opbouw van des Heeren huis,

Sluiten