Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelste kruishout hangt? Het is de Man van smarte, de ware Boaz, de groote Losser, de Godmensch. Wij zien, hoe den pelgrim het pak van den rug valt, vernemende deze woorden uit den eigen mond van Hem, die nu gezeten is aan 's Vaders rechterhand: „Zone! wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven." Matth. 9:2.

Die weg is met een stevigen muur omgeven, naar luid der belofte: „God stelt heil tot muren en voorschansen." Jes. 26: 1. Vele wandelaars zgn daar, allen met een kruis beladen, waarvan het een grooter, het ander kleiner is. Sommige dragen rustig hun kruis, sommige pralenderwg'ze, anderen slepen het achter zich.

Aan het einde van den weg is eene breede rivier, de doodsJordaan, waar geen roeischuit of treffelijk schip te vinden is, om den pelgrim over te brengen.

Achter die rivier vertoont zich een alleraangenaamst gezicht, het is de Stad die fondamenten heeft, wier Kunstenaar en Bouw- ( meester God is en wanneer de wandelaar, door den verrekijker des geloofs, die stad wat nader bijhaalt, dan staat hij in verrukking en roept reikhalzende uit: „Kom haastig Heere Jezus!" Openb. 22:20. Dan krggt hij vaak het heimwee van verlangen naar zijn vaderland en bezwijkt zijne ziel van sterk verlangen. Ps. 84:3. Dan is hij gelgk aan de Zwitsers, die, wanneer ze lang uitlandig zijn, het heimwee krijgen en aan die ziekte sterven, wanneer ze niet naar hun vaderland kunnen terugkeeren. Doch wanneer -ze in de verte de bergen in het gezicht krggen, beginnen ze weder op te leven en hoe nader ze komen tot die liefelijke bergen, hoe meer hunne kwaal geneest, en zij al beter en beter worden.

Wij hebben verschillende kijkjes genomen op dien weg, doch wij zouden denken, hij die er een kijkje van neemt, zonder er zelf op te wandelen, is maar een dwarskgker en kan dus geen. goed bericht geven, noch van den weg, noch van de wandelaars. En daar wij door genade mèèr dan dertig jaren op dien weg wandelen, (wanneer wij ons niet bedriegen), zoo willen wij eenige dingen mededeelen, die wij daar zagen.

En ziet, ik zag aan den muur van het enge poortje een man met veel wereldschen tooi omhangen, hetwelk hem eohter niet verhinderde, om behendig over den muur te klauteren. Ik zag,

Sluiten