Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe hij nu met den een en dan met den ander een gesprek aanknoopte, dat echter gewoonlijk niet lang duurde, en merkte tevens op dat deze dief en moordenaar.... Hé, zult gij zeggen, wat voor reden hebt gij om dien man zoo uit te maken? Dat zullen wij zeggen. De Overste of Leidsman op dien weg, die de Koning van het nieuwe Jeruzalem is, verre verheven boven alle aardsche machten, heeft het zelf gezegd, en Hij is geen man dat Hij liegen zou noch een menschenkind dat Fem iets zou kunnen berouwen. Diens woord luidt aldus: „die van elders inklimt is een dief eif een moordenaar". Joh. 10: 1, En omdat deze man niet in do rechte deur is ingegaan, maar over den muur geklommen is, zoo hebben wij hem bij zijn rechten naam genoemd.

Nu dan, wij merkten op, dat hij veel langer van persoon was dan de andere wandelaars, die met kruizen waren beladen, deze allen waren klein als David. Hij liep met snelle schreden en scheen langen tijd in gezelschap te big ven van een van die kleine personen. "Wij zagen, dat hen een zware mist overviel en dat de kleinet slilstond en niet voort durfde. Doch het Enakskind nam den wankelenden en bevenden pelgrim, wiens knieën knikten, bij de hand en 't scheen dat het kruis loodzwaar op zijne schouders drukte, meer dan anders, zoodat hij er onder dreigde te bezwijken. Hij liet zich echter voortleiden. "Wij zagen hen een eindweegs voortgaan, tot zij beiden kwamen aan den poel „mistrouwen". De mist belette hun voor zich uit te zien, zoodat ze te zamen in dien modderigen poel nederstortten. Wij zagen ze daar woratelen, totdat de kleinste er aan den anderen kant uitkroop en bemorst en bevuild op het droge kwam, waar zijne tranen zoo rijkelijk vloeiden, dat hij een gewaterden hof geleek. Langzaam kroop hij voort, tot hij onder andere wandelaars kwam. De lange man bleef er langer in, doch eindelijk kwam ook hij op het droge, aan denzelfden kaht waar hij er was ingevallen. Zijn hooge gestalte richtte zich op, hij spoelde zich het vuil af met wat water uit de Doode zee, en zette het toen op een loopen, den weg op dien hij was afgekomen, sprong met een wip over dei} muur en wij zagen hem sedert nooit weder. Daarop stond er eensklaps een heerlijk persoon voor mij, die vraagde: „hebt gij dit alles nauwkeurig opgemerkt?" Ik zeide: „Ja Heere!" Toen sprak hij: Hier hebt gij gezien.de ware en de tijdgeloovige.

Sluiten