Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een eind wegs voortgegaan zijnde, zeide de een: „ziet gij daar dien kleinen wandelaar met het kruis beladen P Moedig treedt hij voort en het schijnt u zeker wel toe, dat deze een voorspoedige en gelukkige wandelaar is".

Ik antwoordde dat zulks mij ook z$o voorkwam, waarop hij liet volgen: „het is ook zoo, en met recht mag hij een gelukkig mensch Worden geheeten. Wij kennen hem al sedert lang en zullen zijn aard en eigenschappen beschrijven. Misschien wordt gij er verliefd op, om ook zul* een te worden. Deze wandelaar naar Sion heeft meer zich zeiven leeren lezen dan alle boeken, en heeft deze les zoo wèl onthouden, dat hij ze nooit kan vergeten.

„De wereld kent hij, maar hij a^ht haar niet. In aardsche dingen wenscht hij niet meer dan de natuur, in geestelijke dingen is hij beleefdelijk eergierig. Alle kleine verdrukkingen vallen hem als hagelsteenen op een dak, en wat de grootere betreft, die kan hij aannemen als schattingen des levens en teekenen der liefde,-en indien zgn scheepje geschokt en geslingerd wordt, zoo is hij nochtans verzekerd, dat zijn anker vast is.

„Hij kan van een arm hutje een hofstede, of ook een paleis maken, van zgn akkertje een groote heerlgkheid, van zijn bevlekt kleed kostelijke tapijten en van zijn aarde zilver. Zijne consciëntie en zijne handen zgn altijd goede vrienden, en hoe hem de duivel ook zou willen verzoeken, hij wil die beide niet laten twisten.

„Het berispen en het toejuichen zijn hem vreemdelingen en geen gasten; zgn oor is hun doorvaart, en niet hunne herberg. Zoo wandelt hij blijmoedig in den weg, dien God hem bereid heeft en wenscht nooit dat die weg ruimer of effener ware. Zijne ziel is alle dagen geopend om daarin te ontvangen dien God in Wien hij is, en is zoover gekomen dat hg zich zeiven liefheeft om Gods wil en God om zijns zelfs wil Zijne oogen staan zoo gevestigd Op. den hemel, dat geen aardsch ding die bewegen kan en stelt zich nu reeds voor, de bezitting van zijne plaats onder de heiligen. En deze hemelsche vertroostingen hebben hem zóó ingenomen, dat hij nu met een mishagen nederziet naar de aarde, als naar het land zijner droefenis en ballingschap, nochtans zich meer verblijdende in hope, dan beroerd zijnde door het gevoel der kwaden. Hij acht het geen groote zake te leven,

Sluiten