Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zgn allermeeste bezigheid te sterven en heeft zulk een goede kennis gemaakt met zijn laatsten gast, dat hij geen onbeleefdheid van hem vreest. Zoo acht hij dan ook het sterven niet anders dan een „naar huis" gaan, wanneer hij uit is, of een slapen gaan, wanneer hij van den dag vermoeid is. Al zijn medereizigers zijn blijde hem te mogen dienen, de engelen slaan hem gade, ja God zelf vermaakt zich in zgn omgang en heeft hem al voor zijn dood bij het getal der heiligen opgenomen en voorts ten volle gekroond in zijn afsterven".

Hier zweeg mijn metgezel en ik vond in mij een heilige jaloerschheid, om dien gelukkigen wandelaar gelijkvormig te worden. Ik' zeide: „welk een voortreffelijk pelgrim is dat, ik wenschte dat ik zulk een ware. Gewis die man heeft geen vijanden, wie zou zulk een niet liefhebben?"

Mgn metgezel met den herdersstaf liet hierop volgen: „hierin oordeelt gij niet juist. Ik zag onlangs een kraai, bezig de wol op den rug van eene schaap af te pikken en dacht bij mij zelve: gij zoudt het niet durven bestaan op den rug van een wolf of van een hond te gaan zitten. De bekende eenvoudigheid van dit onnoozele dier geeft aanleiding tot stoutheid. Zoo is het met de schapen van den Heere Jezus, wanneer ze recht hun schapenaard vertoonen. Een zachtmoedige gestalte des harten verwekt spoedig eenig ongelijk. De wreedheid der kwaadaardige menschen verkiest gemeenlijk dezulken, niet die 't ergste verdienen ,*tnaar die veel verdragen willen. Wij zouden dan zoo wel zeggen, dat de zachtmoedigheid en lijdzaamheid zeer kwalijk besteed worden, daar zij den mensch tot smaad en spot stellen. Doch daar het eene gestalte is, die den Heere behaagt, omdat het Zijn eigen werk is, zoo hebben de kraaien wel toe te zien, want zij zullen hun loon zeker niet verliezen, die de schapen van des Heeren kudde alzoo trakteeren. De Heere neemt het zelf voor de Zijnen op, als Hij zegt: „die Mijn volk aanraakt, die raakt Mijn oogappel aan".

Na nog eenige oogenblikken aangenaam te hebben voortgewandeld, zeide een mijner metgezellen: „hier moeten wij nu scheiden, op de reis is het maar gedurig: „zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken," Exod. 14: 15, en de tgd staat niet stil, doch waar wij op denzelfden weg wandelen, onze oogen recht voor ons zien, onzen Oversten Leidsman achteraan-

Sluiten