Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over zat een heer, die geen woord sprak en het scheen mij toe dat hij ook van de gehouden gesprekken niets verstond. Ik werd opmerkzaam en sloeg hem nauwkeurig gade en meende uit den vorm en de trekken van zgn gelaat den Pool te ontdekken; daarom sprak ik hem in die" taal aan. Zijn gelaat verhelderde en de blijdschap vervulde zijn hart, toen hij uit een anderen mond zijne moedertaal hoorde, die hij sedert maanden niet gehoord had."

Zoodanig is de blijdschap van hem, die sedert lang de tale Kanaans niet gehoord heeft. Want deze spraak toch is melodie in de ooren van eiken wandelaar door Mesech.

Er zijn er die het beproeven, om zelf die taal aan te leeren, do'ch zij worden al spoedig ontdekt. Schibboleth kunnen zij niet uitspreken en brengen het niet verder dan Sibboleth. Zie Richt. 12:6.

De onderwijzer in deze taal, die God zelf is, noemt haar: eene reine spraak, Zeph. 3:9 en door den profeet Jesaja, hfdst. 19:18: de sprake Kanaans. Daar nu God een God van orde is, zoo is ook de taal die Hij leert, op vaste grondslagen steunende. De voorname en onomstootelijke grondregels zijn die, die te vinden zgn in de grondwet van het Koninkrijk der hemelen, in de eerste van de kleine profeten, het veertiende kapittel, het derde vers, en in het zevende hoofdstuk van Paulus' zendbrief aan de Romeinen.

Waar nu een van deze grondregels gemist wordt, daar is het Sibbolet en geen Schibboleth. Een zeer klein verschil, dat nochtans zoo groot is, dat er dood of leven aan hangt.

Bij het hooren nu van die taal beproeve zich een iegelijk, of het zijne eigen taal en uit zgn hart gesproken is.

Ik ben goddeloos en toch rechtvaardig, onrein en toch heilig. Mijn naam is „mensch", terwijl er niets aan mij is, dan dat menschelijk is en toch ben ik er een die Godes is Behalve den naam „mensch" draag ik nog een anderen naam, die niemand kent dan die hem ontvangt, Openb 2 : 17 en die naam is: kind Gods, Joh. 1 : 12. Ik heb het dan ook met mijne hand geschreven en doe het telkens weder: „Ik ben des Heeren" Jes. 44:5. Mgn naam is bekend in den hemel en staat daar opgeteekend met bloed, Phil. 4:3. Op aarde ben ik bekend en onbekend, en hoewel daar wel goede geruchten van mij gaan, zoo staat er mijn naam toch slecht aangeschreven. Ik ben dik-

Sluiten