Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al missen de zoodanigen het geloof van verzekering, zij missen daarom het geloof niet om den Heere Jezus achter aan te kleven en met Ruth telkens de keuze te vernieuwen: „valt mij niet tegen, want waar gij zult gaan zal ik gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God, (hoop ik nog eens met volle geloof te kunnen zeggen) is mijn God!" Ruth 1 : 16. En hoewel ik daar nog voor sta, omdat de zaak mij te groot is, stamel ik toch den Apostel Petrus achterna: „tot Wien zoude ik henen gaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens." Joh. 6 : 68

Dan komt hij weder met eene andere pijl, die nog dieper indringt dan de vorige, als hij zegt: „Indien gij genade hadt, „dan zoudt gij verzekerd zgn en uwe zaak durven staande hou„den, gij zoudt ook het getuigenis des Geestes hebben, want dit „bezitten degenen die genade hebben en dat missen ze nooit." Dan wijst hij op het groote deel der belijders, die de waarheid niet. in 't binnenste, maar alleen in het hoofd hebben en waar de wortel der zaak wordt gemist en dan zegt hij: „ziet, deze „leven gerust en veilig, gemakkelijk en vermakelijk, beide in de „wereld en in de kerk, maar gij, gij daarentegen leeft als een „ verstootene."

Hier poosde de wandelaar in zijne overpeinzingen; hij slaat het „bundeltje" op en zingt met heldere stem, op de wijze van den zesden Psalm, het navolgende lied:

O dorre zielenlaver, O groote doodengraver,

Wiens vaandel is het kruis: Uw kerk, mag ik 't zoo noemen, Of zonder te verbloemen ,

'k Zeg eer een knekelhuis,

Is opgepropt van schonken, Die overlang al stonken,

Vermollemd en verrot; Vergeefs is al uw snoeien, Dor hout toch wil niet groeien,

Geen doode wijnstok bot.

Maar dit is te beweenen, Dat deze stapel beenen

Zegt dat ze levend is, Gezónd en wel te passé! O stof, o gruis, o assche,

Gij ziet de waarheid mis

O beenen, steenen, zerken, Welaan, toont dan uw werken,

Indien gij levend zijt. Ach! waar mijn zeggen leugen, Wat zou ik mij verheugen,

Wat waar' Gods volk verblijd.

Sluiten