Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de wandelaar dit alles zoo bekeken en bij zichzelven diezelfde ervaringen gemaakt had, viel zijn oog op het schild, dat de een zoowel als de ander had, en dat schild des geloofs, zooals Paulus het noemt, gaf zooveel moed en kracht, dat ze ieder op hun beurt en somtijds allen te gelijk een krijgsgeschrei aanhieven, waar al de vijanden voor op de vlucht gingen en dat een liefelijk muziek was in de ooren van den Koning, als het over velden en heuvelen klonk: „wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen." Jes. 26:1

Hier werd onze wandelaar in den geest geplaatst naast den profeet Ezechiel en wij hooren wat hij te zien kreeg. Ezech. 1.

En ik zag de gelijkenis van vier dieren en hunne gedaante was als die van een mensch. Elk een had vier aangezichten, en elk van hen had ook vier vleugelen. En hunne voeten waren rechte voeten en hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten eens kalfs en glinsterden gelijk de verf van glad koper. En menschenhanden waren onder hunne vleugelen. Hunne vleugelen te zamen gevoegd, die een aan den anderen; zii keerden niet om als zij gingen, zij gingen elk een recht uit voor zijn aangezicht henen. De gelijkenis nu van hun aangezicht, was het aangezicht eens menschen, en het aangezicht eens leeuws hadden zij aan de rechterzijde. En aan de linkerzijde hadden de vier dieren aangezichten evenals ossen gelijk die eens arends. Hunne aangezichten en hunne vleugelen waren opwaarts verdeeld, elk een had twee te zamen gevoegd aan de andere en twee bedekten hunne lichamen. En zij gingen elk een rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarheen de Geest was om te gaan, gingen zij, zij keerden zich niet om als zij gingen.

Aangaande de gelijkenis nu der vier dieren, hunne gedaante was als de brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen. Datzelfdo vuur ging steeds tusschen de vier dieren, en het vuur had een glans en uit het vuur kwam een bliksem voort. De dieren nu liepenen keerden weder als de gedaante van een weerlicht.

Toen ik geruimen tijd op dat gezicht gestaard had, zonder zulks te kunnen verklaren, werd ik twijfelmoedig. Ik sloeg de Boekrol open en vond boe aan den profeet datzelfde gezicht getoond werd en toen hjj dit gezien en daarna de vier raderen in hetzelfde hoofdstuk beschreven had, toen viel hij op zijn aangezicht en hoorde eene stem die sprak.

Sluiten