Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen de eer van, want al wat ik heb en wat ik ben, ben ik door Zijne genade.

Het zal u aireede duidelijk zijn, dat ik een dienstknecht van den Koning ben, daartoe ben ik van Hem geautoriseerd, niet omdat H§ mij daartoe zoo geschikt oordeelde, maar omdat Hij mij daartoe bestemd had. Ik was eertijds volslagen duisternis; ik kende noch den Koning, noch Zijne onderdanen.en meende dat zg ketters waren, niet waardig om deze aarde te betreden.

„Op zekeren tijd (het is meer dan dertig jaren geleden) zond de Koning een ander van Zijn dienstknechten uit verre lande, die voor mij werd dienstbaar gemaakt, om mijn verstand te verlichten om God en mijzelve te leeren kennen. Ik kon toen op dit oogenblik niet zeggen, wat er met mg geschied was, en het zou te lang duren om bij al die bijzonderheden stil te staan. Dit wil ik er van zeggen, dat ik een ander mensch was geworden en toen ik na bangen zielestrgd den Koning in het oog kreeg, dat ik van toen af niet zonder Hem leven kon en ik rusteloos aanhield, totdat Hij zich aan mij openbaarde als mijn Koning, mgn Goël, mijn Borg en Middelaar. Nu kwam ik bij Hem ter schole en ik heb ondervonden dat er geen beter Leermeester is dan Hij, en dat op de knieën aan Zijne voeten met de geopende boekrol voor mij, de verborgenheden van Zijn Koninkrijk worden ontdekt en bekend gemaakt.

De vijandschap die van dit oogenblik af door mij werd ondervonden was hevig; die zou echter minder zgn geweest als ik het gereedschap van een valschen of dwazen herder had willen ter hand nemen, doch daarvoor heeft de Koning mij genadig bewaard en was het steeds mijn begeerte om Zijn eer te bedoelen.

Toen ik vijfjaren van Zijn onderwijs had genoten, kwam de bevordering en werd ik tot onder-overste aangesteld over een klein gedeelte van Zijn leger. Ik had er geen vrede mede en heb Hem wel duizendmalen willen bedanken voor dien post. Niet dat ik er geen groote eer in stelde. maar omdat ik mij zelve er geheel en al onbekwaam toe bevond. Doch de Koning kwam met zulke krachtige argumenten, dat ik eindelijk moest toegeven nadat Zijne toezeggingen zoo menigvuldig waren, dat ik op zekeren tijd dat Hij mij vraagde: ,wie zal Ik zenden?" met blijmoedigheid antwoordde: ,zend mij." Jes. 6:8.

Sluiten