Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaken ingeleid, het oog des geloofd werd zoo verhelderd, dat er geen stofje te zien was. De pelgrim werd zoo helderziende, dat hij zich aan het einde zag van de woestijn, over de Jordaan in het nieuwe Jeruzalem. Do maan was onder zijne voeten en hij zag zich omring.] door een schare van reine hemelgeesten en in het midden den Zoon des menschen, die vol majesteit en heerlijkheid op hem nederzag, waardoor hij meende, dat hij aireede in den hemel was. Hoe lang zulks geduurd heeft kan hij niet zeggen. Hij kwam weder tot zichzelven "en bevond zich nog op de lage aarde. Nochtans was hij in zulk een gezegenden toestand, dat hjj dagen achtereen door die verborgen spijze is gevoed geweest en hij kon zich best voorstellen, hoe de profeet Elia veertig dagen lang op die ééne koek geteerd heeft, die de Heere hem had toegediend.

Het gelaat van den wandelaar was blinkende en vervuld van eeuwigheidsgedachten, zong hij op de wijze van den 19en Psalm het volgende eeuwigheidslied:

"Wanneer deez' tijdgordijn Zal weggeaohoven zijn, Van voor de heü'ge sohaar, En dat het hemelsoh licht Haar geven zal gezioht Om te beschouwen daar •lehovah's Wezen aan. En in die zee ta baan Van Zijn' oneindigheden, Dan zal 't Goddorstig volk Gezonken in die kolk, Eest wezen reoht te vreden.

Dit onbepaalde goed Van ons bepaald gemoed, Hier op deez' aard, bevat, Is als de sterke wijn, Die zoo ligt dronken zijn Gansch overstelpt en mat, Ja, 't eindloos eeuwig maakt, Dat d'.eeuw'ge ziekte raakt Als onder 't volk ontstoken. En die dit euvel heeft, Die sterft terwijl hij leeft En leeft in 't graf gedoken.

Ik sterf aleer ik sterf,

Omdat ik 't eeuwig derf,

Mijn koorts neemt daaglijks toe

En stel niet langer uit

Mij hier te helpen uit,

In ben den tijd al moê;

O eeuwigheid! kom ras,

Och! dat ik bij u was,

'k Zucht naar u onverdroten

Hoe is 't o eeuwigheid?

Dat gij zoo wensch'lijk zijt,

Al zijt gij nooit genoten.

Als ik uw ommegang

Heb eeuwigheden lang,

"Wat zal het dan wel zijn?

Dan zal ik weten wis

Wat eeuwig leven is,

Ja zeiver eeuwig zijn. v!

't Is best dat ik, in spijt

Des tijds, mijn tijd verslijt

Met d' eeuwigheidsgedaohten,

En mij daaraan gewen,

Eer dat ik daarin ben,

Door een gestaag verwachten.

Sluiten