Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaamheid was mij het liefste, waar ik bij de erkentenis van groote schuld mijn Rechter om genade bad. Doch ik kreeg geen verlichting, integendeel werd het mij hoe langer hoé banger, en wanneer de Heere mij niet had bewaard, zoude ik zeker gehoor gegeven hebben aan de inblazingen van den vijand, die mij telkens aanporde om er een einde aan te maken , dewijl ik toch eiken dag de schuld vermeerderde.

Wist gij dan niet, zoo vraagt iemand, dat de Rechter alleen te naderen is door den MiddelaarP Hoewel ik belijdenis had gedaan, zoo wist ik het nochtans niet. Die Persoon was voor mij verborgen.

Dit duurde ruim drie weken, terwijl ik den dood boven het leven verkoos. Het was of de wanden en de zolders beschreven waren met mijne zonden en ieder deel van mijn lichaam een instrument was om de schuld te vermeerderen.

Toen ik na een slapeloozen nacht in de vroegte opstond en mij in de eenzaamheid neerzette, weenende en kermende over mijne zonden, en ik schier in wanhoop uitriep: „Och! Heere! is er ook nog een middel om genade te bekomen?" werd mij plotseling de gekruisigde Zaligmaker voor oogen gesteld. Ik zag, hoe het bloed langs den kruispaal leekte, ik zag .Zijn bebloed aangezicht, dat vriendelijk op mij nederblikte, terwijl als met hoorbare stem mij werd toegeroepen: „Ik ben gekomen om te zoeken en zalig to maken wat verloren was."

Het was mij, of ik in een andere omgeving was, ik ademde vrijer toen ik zag dat er nog een middel was om de straf te ontgaan. De weg der verlossing was mij geopend en ik zag in het dal van Achor eene deur der hope.

Welk een plotselijke verandering zulks bij mij teweeg bracht, kan ik niet uitdrukken. Ik was niet gered, doch er was nog mogelijkheid om gered te worden, en nu waren mijne uitgangen alleen naar dien heerlijken Persoon, die mij boven alles beminnelijk toescheen. Maar... . zou Hij zich aan mij, den grootste en snoodste der zondaren willen openbarenP Dat wist ik niet, cn vrees en hoop wisselden zich gedurig af binnen in mij.

Ik zag intusschen zooveel dierbaars in dien persoon, dat ik al dadelijk Hem aan anderen begon aan te prijzen, hoewel ik weinig bijval vond, daar ik voor dwaas werd uitgekreten. Dit hinderde mij echter niet, ik was maar verblijd, dat er nog een weg van ontkoming voor mij was.

Sluiten