Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wist er wel raad op, om er mij aan te ontdekken en mij van den dwaalweg af te brengen.

Ik bevond mij op zekeren rustdag te midden van een groote menigte van die gewillige menschen, waar de een al hooger toon aansloeg dan de ander, om te roemen. Ik zag hoe de mensch verhoogd werd en niet de Heere. Bij het eindigen in den nacht (die juichende schare was van 's morgens 8 tot 's nachts 12 uren bijeen geweest), werd mij door een die mij naar mijn logement vergezelde, gevraagd hoe ik het dien dag gehad had, waarop ik antwoordde dat ik er geen verslag van geven kon, doch dat ik er niet te huis was; dat er iets ontbrak, en ik niet kon zeggen wat het was; waarop hij dit liet volgen: „dat zal ik u wel zeggen: het zijn geen arme zondaars voor God."

Hiermede ging ik te bed, maar niet ter rust. Ik bracht den nacht slapeloos door en ondervond iets, dat ik vroeger niet kende; ik kon niet bidden. Mijn gedachten dwarrelden als een maalstroom dooreen en pijlen uit den afgrond, die ik toen niet wist van waar ze kwamen, snorden niet alleen om mij heen, maar troffen mij. Deze vooral kwetste mij, dat ik alles mis had en dat ik nu niet bidden kon; het was een bewijs dat ik mijzei ven had bedrogen.

Den daarop volgenden morgen kwam'mij iemand bezoeken die mij alleen wenschte te spreken. Hij deelde mij mede dat hij mij daar in het gebed had gehoord, en hoe hij den ganschen nacht met mij was werkzaam geweest en, als hij zich niet bedroog, van den Heere den last had gekregen om mij aan te zeggen, dat ik bij die menschen en onder dien prediker niet op mijne plaats was.

Ik begeerde meer te weten, doch de man die mij geheel onbekend was, antwoordde dat hij zijn boodschap had gedaan en dat ik het nu verder zelf aan den Heere moest vragen.

De Heere zegt: „Ik zal haar lokken en zal haar voeren in de woestijn". Hosea 2 : 13. Dat ondervond ik. Die liefelijke , aangename lokkingstijd was voorbij. Ik kwam nu in de woestijn; hevige bestrijdingen en aanvechtingen volgden en ik verloor al mg'n blijdschap. De hemel Was gesloten en het was mij ten eenenmale donker. De uitwendige omstandigheden verdubbelden de ellende en „als er ooit genade aan mij geschied was" zoo werd mij ingefluisterd, „zouden niet alle dingen tegen mij zijn".

Sluiten