Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ontmoette een prediker die mij vraagde of ik mijn naam al had zien staan in het boek des levens. Toen ik dit ontkennend beantwoordde, zeide hij ... . maar mijn pen weigert de Godslasterlijke woorden neer te schrijven, die de Antinomiaansche prediker mij toevoegde. Ik was verplet over zijn woorden en ging zuchtende mijn weg, zuchtende over de arme schapen, die onder zulk een prediker de vermodderde wateren indronken en zich een wijde deur zagen geopend voor allerlei zonden.

Eenige weken daarna ontmoette ik een anderen wandelaar naar Jeruzalem, die zeer hoog in eigen schatting stond. Hij vraagde mij, of ik aireede wist dat ik voor God gerechtvaardigd was. Zoo lang ik dat niet wist, zeide hij, was al mijn werk maar broddelwerk. Ik antwoordde, dat ik wist dat mijn werk broddelwerk was, maar dat wat de Heere binnen mij gewrocht had, de vuurproef doorstaan kon. Ik had echter door dat gezegde zulk een slag gekregen dat ik als verpletterd was, hoewel ik niet gelooven kan, dat de man zulks met een verkeerd doel gezegd heeft. Doch hoe dit zij, ik ondervond daarbij de allerheftigste aanvallen van den vijand en was geheel verslagen en ontwapend. Het was of er nooit wat aan mijn ziele gebeurd was- ja het ging zoo ver, dat ik alles opgaf en in vijandschap 'tegen den Heere geraakte. Ik meende dat ik alles verzondigd en geen genade had, dat er nooit iets van mij zou terecht komen en dat ik gewis de onderste plaats in de hel krijgen zou. De toestand was onverdragehjk, en als er geen .eeuwige armen waren geweest, om mij te ondersteunen, ik ware zeker omgekomen.

Dit duurde eenige dagen, tot ik op zekeren nacht ten bedde uit moest vanwege den angst der ziel Toen ik in de eenzaamheid mij voor den Heere nederboog, was het mij alsof alles licht om mij heen werd. Ik zag God de Vader in Zijn ontzaglijke heiligheid en dacht door den gloed Zijner Majesteit te worden , verteerd Nevens Hem-zag ik de Schoonste onder de menschenkinderen; doch ik durfde de oogen niet opheffen. Ik stond bevende daar; de banden mijner lendenen werden los en mijne knieƫn knikten. Nevens mij stonden Mozes en de duivel. De eerste hield mij de twee steenen tafelen voor, met vlammend schrift Gods Wet daarin geschreven; de andere bracht de eene beschuldiging voor de andere in, en mijne consciƫntie moest beiden toevallen en getuigen, dat ik tegen al de geboden zwaar gezon-

Sluiten