Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het gebeurde bevond ik mij in een onbeschrijfelijk zaligen toestand en was ik voor de wereld niet geschikt. Ruim veertien dagen bleef de levendigheid er van bij, terwijl intusschen de Satan nog een krachtigen sprong deed. Ik zat op zekeren rustdag mij te verdiepen in het eeuwig welbehagen Gods, toen mij opeens de Satan een boekrol voorhield waarin onderscheidene namen met bloed geschreven, waaronder ook mijn naam die hij met inkt trachtte uit te schrappen , doch ik zag hoe de inkt als

verzonk en het bloed weer boven kwam. En voor do kracht 1

van dat bloed moest de vijand vluchten.

Sedert leg ik. onbewegelijk op den eeuwigen Rotssteen, waar ik in vroeger dagen wel is waar ook op stond, maar toen gedurig door de stormen heen en weder geslingerd. Nu'gaan ze over het hoofd henen en hoewel ik weet wat het is om op te springen in den God mijn heils, ook als de vijgeboom liegt en de stal geen runderen geeft, zoo moet ik er vaak de levendigheid uit missen, hetwelk mijn Koning zoo noodig keurt, daar zoowel in natuur als genade dag en nacht niet zullen ophouden.

En nu wordt het mij in alles duidelijk, dat het einde van de reize nabij is, en het aardsche huis dezes tabernakels wordt afgebroken, en dat bij het aanhoudend gebruik het soldeersel van . de blaasbalgen begint te verslijten, hopende nochtans in's Heeren kracht met het werk, mij op de hand gezet, voort te gaan, zoo lang er adem in de keel is, om het den goddelooze aan te zeggen dat het hem kwalijk en den rechtvaardige dat het hem wel zal gaan.

"Was veel verdriet en smaad en verguizing mijn deel, was de zaaitijd nattig, de oogsttijd zal des te zonniger wezen. Onder dat alles mag ik betuigen, dat het mij ten goede mede werkte, want het deed mij dicht schuilen bij mijn Koning en heb ik mogen zien, en zie bij den voortgang dat de Heere van alles de eer krijgt, want dat de planter niets is en de natmaker niets, maar Hij alleen die den wasdom geeft, God die te prijzen is in eeuwigheid. Amen.

Niet het zwaarste was de smaad'van de wereld, maar „de man die mijn brood at verhief de verzenen tegen mij", dit was voor David een zwaar kruis en ook ik leerde dat j kennen, 't Kan niet anders, de leer van vrije genade is voor het vleesch een zeer gehate leer en de ervaring heb ik opgedaan ]

Sluiten