Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sehoon ik nimmer hen misdeed; Tooh zal ik het werk niet laten:

Sohoon men wreed in 't hart mij steek': „Blijf volharden, preek, ja preek."

Toch, geen deerniswaardig lot; Hoe ook, meer dan men zou gissen, Vol van bittre droefenissen, Zou 'k mgn taak niet willen missen:

'tls mijn arbeid voor mijn God.

Hoe de moed mij haast bezwijke,

Hoe mgn hart ook lijde en breek,

Hoe mijn matte wang verbleek', Hoe de slaap mijn sponde ontwijke:

„Dag aan dag, en week na week,"

„Bid en sohrei, en pleit en spreek,"

„God maakt eens de harten week:"

„Tot aan 't einde: preek, ja preek "

En hiermede neemt de pelgrim afscheid van den lezer. Hij had eerst niet gedacht zooveel van zich zei ven te spreken, doch als er olie in de pen is, kan de schrijver zijn pon niet wederhouden.

Zijn begeerte was dat zijne ervaringen waarvan hij er enkele mededeelde, tot leeriDg mochten zijn voor hen, die hunne rust nog zoeken in een leer, die verwaterd wordt door menschelijke vonden, opdat ze zich tot die mogen keeren, waar onze vaderen goed en bloed voor hebben veil gehad, en verlost mogen worden van dien wind van leer, die ons vaderland overstroomt en onder een schijn van rechtzinnigheid, duizenden ten verderve voert.

En waar men op die leer van vrije genade is gevallen, waar God alles en de mensch niets is, daar moge die ervaringen tot sterkte zijn voor eiken waren pelgrim naar Jeruzalem, opdat het woord aan hen bevestigd worde: „houdt wat gij hebt, opdat niemand uwe krone neme."

Welk een onuitsprekelijk zalig voorrecht te weten, en 't den Catechismusonderwijzer te kunnen nazeggen, dat ik van de heilige, algemeene, Christelijke kerke een levend lidmaat ben en dit eeuwig blijven zal. Dan gaan we weldra uit de strijdende in de triomfeerende kerke over en wat hier ten deele was, zal daar volkomen en volmaakt zijn.

En dan slaan wij nogmaals een blik terug op den kruisweg

Sluiten