Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch kon het den. grooten hervormer afschrikken ?

Integendeel, reeds had hij aan zijn beschermer Johari von Staupits geschreven:

Christus mijnen Heere laat ik het over te zien of dezen strijd welke ik nu voer Hem of Luther aangaat, zonder wiens wil de pous zich noch roeren noch bewegen kan en in wiens hand het harte der koningen is.

En wat mijne vijanden aangaat, die in hunne boosheid mij bedreigen en beschimpen, weet ik geen ander bescheid te geven dan dit eene woord: die arm is vreest niet, en heeft niets te verliezen, ik heb geld noch goed, en verlang er ook niet na, mijn ellendig lijf, door veel gevaar en moeite verzwakt, is alles wat ik heb, willen zij mij dat door list of geweld ontnemen, welnu dan helpen zij mij des te spoediger naar den hemel, ik voor mij heb er genoeg aan, dat ik in mijnen Heere Jezus Christus een genadigen verlosser en getrouwe Hogenpriester heb.

Dat dus Luther niet vreesden al donderden het te romen en al sprak de pous zijn banvloeken over hem uit, is gebleken, daar hij op den ÏO46" December des voormiddags in tegenwoordigheid der geheele hogeschool te Wittenberg de pouselijke bul, waarin de banvloek tegen hem was uitgesproken, met noch meer pousselijke schriften, buiten de elsterpoort verbranden, en onder het inwerpen van dezelve in het vuur, er noch deze woorden bijvoegden, gelijk gij den Heiligen des Heeren bedroeft hebt, zoo mogen u het eeuwige vuur kwellen en te niete maken.

En hoewel Luthers vrienden over deze daad juichten, zoo werden zijne vijanden in bitteren toorn tegen hem ontstoken, en na noch door geld en eerambten beproeft te hebben, om Luther den mond te stoppen, en alles scheen te vergeefs te zgn, schreven zij ten slotten deze treurmare naar rome, deeze Duidsche lompert geeft noch om geld, noch om eereposten.

Sluiten