Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoude wij noch spreken van Luthers heldendaden voor den grooten rijksraad te WormsV Neen, alleen zal ik daarvan een enkelde zaak aanstippen.

Het was op den 16d,n April 1521, dat Luther op een open wagen Worms binnen trok, om voor keizer Karei T keurvorsten, hertogen, markgraven, bisschoppen, pousselijke en koninglijke gezanten, en meer dan tweehonderd aanzienlijke leden van de Rijksstende binnentrad, voor wien voornamelijk de zaak van hem behandeld moest worden.

Onverschrokken en vol geloofsmoed was den hervormer daar heen gegaan, en als veele zjjner vrienden uit vreeze hem wilden tegengaan, stond hij onbeweeglijk door de kracht zijnes Gods en gaf hun het volgenden ten antwoord.

Al staken zij een vuur aan, dat tot den hemel reikten, tusschen Wittenberg en Worms, zoo moet ik toch m den naam des Heeren verschijnen en mij in den muil des ondiers tusschen zijne tanden wagen, om Christus te belijden en het aan Hem overgeven.

En als zijn vriend Spalatinus hem in de nabijheid van Worms noch waarschuwde zich in zulk en gevaar niet te begeven, was zijn antwoord gereed, naar Worms ben ik geroepen, naar Worms moet ik optrekken, en al waren er zoo veel duivels in als pannen op de daken, toch wil ik er heen.

Was Luther dus onwrikbaar in zijn heengaan, even was hij het voor den grooten raad, alwaar hij met evenveel moed en kracht, Gods eer, zaak en waarheid verdedigden, en ronduit verklaarden, noch te geloven aan den pous, noch aan zijn kerkvergaderingen, en niets wilden herroepen, van hetgeen hg geleerd of geschreven had, en er ten slotten bijvoegden hier sta ik, ik kan niet anders, God zij mijne hulpe. Heeft Luther dus voor dezen grooten raad Gods zaak en waarheid zoo manmoedig verdedigd, de Heere zijnen God heeft zich dan ook van zgn zijde, aan hem niet onbetuigd gelaten.

4

Sluiten