Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nigen" vertaald, drukt meer de ontkennende zijde van het werk van Christus uit; het komt steeds voor in verband met de zonde; zie b. v. „de reinigmaking onzer zonden," 1:3; „reinigen van doode werken," 9:14; „het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonde," 1 Joh. 1:7. 'Aytx^u drukt uit de met die reiniging onafscheidelijk verbonden positieve verandering: het heiligen, en geheiligd worden, de heiligmaking, naar het beeld van God: die in het zoo even genoemde 9:13 aldus in aard en doel wordt omschreven: „Om den levenden God te dienen." Niet de wet, niet de Priesterschap des O. T., maar Hij die „een barmhartig en getrouw Hoogepriester" is, in de dingen bij God, „om de zonde des volks te verzoenen," vs. 17, Hij is het, en Hij alleen, die „heiligt," en door Wien allen, die de heerlijkheid beërven, geheiligd worden, en nu den naam van „heilige broeders," Cap. 3:1, kunnen dragen.

Vraagt iemand, waarom in dezen brief het „heiligen" niet aan den Heiligen Geest wordt toegeschreven: de reden is duidelijk uit het verband, gelijk ook uit andere teksten hier en elders. In vs. 26 van Ef. 5 lezen wij: „die Zich zeiven voor de gemeente heeft overgegeven, opdat Hij haar zou heiligen (xyidtuy) . . . opdat Hij haar Zich zeiven zoude heerlijk (evdo&v) voorstellen . . ." De „heiliging" is niet te verkrijgen buiten Christus: de Heilige Geest neemt alles wat Hij geeft en werkt uit Christus; daarom heet Hij ook de Geest des Zoons, de Geest van Christus. Die „heiliging" van al de verlosten is het doel van God. Gods genade is een heilige en heiligende genade : geen oorzaak of vergoeding van zonde en zondelust. Opdat Jezus de heiligende, de heiligmaker, zou kunnen zijn, was niets minder noodig, dan dat Hij de owheiligheid wegname, en daartoe het lijden des doods onder-

Sluiten