Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging: dat Hij in alle kracht „den doodsmaak." Hebr. 2:9.

In onzen tekst, vs. 11, komt: xyix^co voor het eerst voor. Zien wij nu het verband in. Het heilrijke lot der kinderen Gods wordt, in vs. 10, door twee onderscheiden woorden uitgedrukt: G o d leidt vele kinderen tot de heerlijkheid, en Jezus, van wien vs. 9 is gesproken, is „de Overste Leidsman hunner zaligheid." Is er onderscheid èn verband tusschen heerlijkheid en zaligheid? Zou het niet? Zaligheid (gutyip'ix) wijst op de ellenden, waaruit Jezus redt (trw^f/); heerlijkheid (Sa§#) is het hoogste woord, dat de taal der menschen heeft, en waardoor zoowel de naar buiten tredende, zich objectiveerende, glans van Gods volzaligheid, als de in- en uitwendige luister en vreugd van den staat der volmaaktheid wordt aangeduid. Die kinderen, vs. 10, die tot de heerlijkheid geleid worden, zijn blijkbaar de zelfden als: „allen die geheiligd worden," in vs. 11. Het „heiligen" van Christus staat dus in nauw verband met Zijn werk als „ Overste Leidsman hunner zaligheid." Dat werk der redding, der verlossing van Christus, waardoor God vele kinderen tot de heerlijkheid brengt, is in aard en strekking en vrucht: in de rechte verhouding tot God plaatsen, heiligen, heilig maken. Bij de heerlijkheid, waarvoor Gods volk bestemd is, past de zonde niet; daartoe is noodig een gereinigd zijn van de zonden en een werkelijke heiligheid: een „deelachtig worden van de heiligheid van God," Hebr. 12:10, die de Auteur is van geheel dit genaderijk en heerlijk Evangelie, van geheel de zaligheid en heerlijkheid.

Het nauwe verband van „heerlykheid''1 en „heiligheid" treedt ook elders in de Heilige Schrift duidelijk in het licht. In het straks reeds aangehaalde Ef. 5:26, wordt gezegd, dat Christus hierom Zich overgaf, en hierom Zijne Gemeente heiligde (xy.), opdat Hij haar Zich zeiven heerlijk,

Sluiten