Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allen uit één." Dit: „ uit één," hos beteekent o. i. niet: uit éénen Schepper, of éénen stamvader, of uit ééne natuur, maar: uit éénen Auteur, Ontfermer, Vader, uit Wien zoowel de Verlosser als de verlosten als zoodanig afkomstig zijn; die, Jezus aan het hoofd, ééne heilige broederschap vormen: de Gemeente, waarop de lijdende Messias hoopvol staroogde, reeds in den Profetischen Psalm: Ps. 22, door onzen schrijver aangehaald in vs. 12 en 13. „Om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen." vs. 11.

„Want en Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden zijn allen uit éénen." Dit geeft de schrijver op als een reden voor hetgeen in vs. 10 is gesteld, en dat de reden geeft van vs. 9. „Want het betaamde Hem, om welken alle dingen zijn, en door welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, — dit alles wordt gezegd van God, den Vader — den Oversten Leidsman hunner zaligheid (nl. Jezus: vs. 9) door lijden zou heiligen, TsKsiwaxt.

In welken zin dit „heiligen" is op te vatten, onderzoeken wij nu in het kort. Dit is al aanstonds zonneklaar, dat hier een werk Gods met betrekking tot Christus wordt aangeduid, dat voor Christus noodig was, zou Hij de „heiligende" kunnen zijn.

Eigenlijk beteekent het: volmaken, voleindigen. Onze Kantteekening is bescheiden genoeg, om telkens het woord van den grondtekst te vermelden, en eene andere vertaling toe te laten. Zoo ook hier. Hoort wat zij aanvoert om de vertaling door „heiligen" aan te bevelen, en in welke beteekenis zij in dit vers het geheiligd zijn van Christus door den Vader opvat: „Gr. teleiosai; hetwelk eigenlijk beteekent volmaken, somwijlen heiligen of inwijden, welke beteekenissen op Christus hier kunnen gepast wor-

Sluiten