Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liohting heeft gevoeld. Immers zegt hij dan: Hierom zijn die selve tijdens die als zijn Hopmanschap van Zaligheit van vele kinderen tot heerlijkheid te leiden voorgaande, het middel van zijne toewijding of heiliging: — let wel! (ik onderschrap) — in hen zelfs een groot deel van het middel waardoor hij voor hen Zaligheit te weege brengt." Welk een wringen van het woord zelf en van het verband, en hoe onhelder en hoe ongegrond dan de zin!

s) bl. 76. Ook Dr. A. Kuyper ziet dit voorbij. Hij zegt: Uit het Woord, 1878, in een opstel „Door lijden geheiligd", over dezen tekst, bl. 231:

„Bij alle verschil over de fijnere trekken in dit gedrongen en gedachtenrijk vers, komen toch schier alle Schriftuitleggers daarin met onze Kantteekenaren overeen, dat „alhier door dit woord heylighen verstaan wordt, dat de Vader geordineert heeft, dat Christus door zijn gehoorzaamheid tot den dood des kruyces toe in zijne heerlickheit zoude ingaan." De samenhang met wat voorafgaat en volgt, dringt hiertoe. De term waardoor „heiligen" in het oorspronkelijk staat uitgedrukt, wijst hier niet onduidelijk heen, want letterlijk beteekent ze „voleinden." En wat alles afdoet, men gevoelt reeds bij oppervlakkige lezing, dat het „heiligen door lijden" niet kan opgevat worden inden gangbaren zin, waar niet de zondaar, maar de Hoogepriester van zondaren, Hij, die onnoozel, heilig, onbevlekt, afgescheiden vau de zondaren" is, als voorwerp der heiliging wordt voorgesteld."

Had dit laatste, „wat alles afdcet", den geleerden schrijver niet moeten nopen om op de eigenlijke beteekenis van het oorspronkelijke woord in te gaan? Al ware het ook zoo dat, wat echter op verre na niet zoo is, „schier alle Schriftuitleggers" het door „heylighen" inden zin van ordineeren verklaarden. „De samenhang" dringt van alle zjjden er toe, om te lezen wat er Btaat: „voleindigen." Dr. K. zoekt dan ook metterdaad het licht meer buiten dan in den samenhang, en geraakt niet tot inzicht van de heerlijke dingen die de Heilige Geest door dit noodzakelijke „volmaken, voleindigen" van den „Oversten Leidsman" duidelijk aanwijst. Na een wijBgeerig betoog, waarvan de slotsom is: „Een ingaan door lijden tot heerlijkheid moet dat „heiligen" dus voor den Christus zoowel als voor' den Christen zijn, zoo niet Buddha of Mohammed, maar de Christus der Schriften ons ten Leidsman ook op den lijdensweg zal zijn" — zegt Dr. K.:

„Een dubbele omstandigheid noopt ons daarbij gezag toe te kennen aan het elfde en twaalfde Hoofdstuk van den Brief aan de Hebreen. Vooreerst wordt in dat Schriftdeel ons uitdrukkelijk verklaard, hoe we de uitdrukking „Overste Leidsman" te verstaan hebben; en bovendien, er is geen hoofdstuk in de Schrift, waarin over de bedoeling van Gods kastijdingen zoo met opzet en met zulk eene uitvoerigheid gehandeld wordt."

In Cap. 11 is sprake van den Leidsman en Voleinder „des geloofs": die gedachte en gedachtegang is wel nauw verbonden met, doch niet de zelfde als Leidsman „hunner zaligheid." En van een bekwaam maken van den persoon van Jezus is in Cap. 2 geen sprake:

Sluiten