Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over elk dezer vragen enkele regelen, die tot nadenken en onderzoek mogen dringen.

A. De verhouding van de Kerk en hare School? In de vraag zelve is reeds uitgedrukt, dat o. i. de Kerk in deze zaak zeggenschap heeft.

Op dit punt heeft de verkeerde praktijk een verkeerde leer tot stelsel gemaakt. Ook wij zijn in gevaar den eenvoud dezer dagheldere materie al te eenvoudig, oppervlakkig, ongeleerd, te gaan achten.

De Universiteit alleen heeft recht dien graad te verleenen — zegt de een. Doch de Godgeleerde wétenschap hangt niet af van de wetenschappen; zij ontleent aan gene niet haar bestaansrecht, regel of doel: wel is zij zelve onmisbaar voor de Universitas scientiarum: het geheel der wetenschappen. Daarom heeft ook wel een Theol. School recht van bestaan, doch zijn Universiteiten zonder Theologie, gelijk ook de Nederlandsche thans zijn, onvolkomen, lichamen zonder hart en hoofd, die... toch maar blijven promoveeren en doctoreeren, alsof zij, en zij alleen, het volle recht hadden....

Aan de Theol. faculteit in verband met het geheel, of, zoo er eene TJieol. School is, aan deze komt het toe, dien graad te verleenen — zoo zegt een ander. Hoe meent gij? moeten we vragen. Met of zonder medearbeid der Kerk? Als uitvoerder van den last der Kerk, öf als haar mederegent of mededinger?

Gods Woord geeft licht. De kennis Gods van ieder geloovige is het werk des Geestes, die der Gemeente de volheid van Christus toepast. En tot elk geloovige zegt de Schrift: „Gij hebt de zalving van den Heilige, en weet alle dingen." Ook het ambt en de bekwaammaking daartoe, van Herder en Leeraar enz. is gave van den Heere

Sluiten