Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telijke ziekte, onze wijsheid in waanzin verkeeren, en de bronnen van genoegen en troost geheel en al opdroogen zullen. Wat is de mensen? Als blind staat hij voor de toekomst die hem met eiken polsslag nader komt, magteloos om ze een oogenblik te verbidden of te bedwingen of van zich te houden, ook al draagt zij het bitterst wee voor hem in haren geheimzinnigen schoot. En zou het dan een redelijk mensen niet betamen in diepen ernst naar die toekomst te staren, opdat hij het heden leere aanwenden om voor de onzekere toekomst een altijd veilige schuilplaats, en onfeilbaren waarborg van vervulling alle behoeften te zoeken! Dartel dan niet, o mensch, op den eersten dag des jaars; ontheilig en verspil hem niet met drank en kruid; zonder u in de eenzaamheid af, en herhaal door, op uw kniën voor God gebogen, Ahia's vraag: wat zal er ook nu zijn?

wat zal eb ook nu zijn ? Hoor 'k niet op den toon der bekommernis iemand uwer zoo spreken? Gij denkt aan al uw zonden, verborgen en openbaren afdwalingen, in het jaar dat vervloog, doch voor de eeuwigheid zijn beteekenis niet heeft verloren. Gij ziet in uw hart en bemerkt hoe allerlei ongeregtigheden daar woelen en werken, dat de zonde niet met het oude jaar is verouderd of verdwenen. Gij ziet op hetgeen u omringt, en u van het dienen van uwen Schepper af tracht te trekken. Gij deukt meteen aan de onzigtbare vijanden van God en uwe ziel. Geen wonder dat gij begint te vreezen voor uzelven; te vreezen dat gij ook heden en morgen en later van het enge levenspad afwijken zult. Gij gelooft dat God waardig is te worden gekend en gediend ; dat alleen in Zijne dienst waar levensgenot is te smaken. Gij gelooft en weet dat Hij regtvaardig is, en morgen als gister niemand onschuldig zal houden die Zijne wetten vertreedt. Gij gevoelt het gewigt uwer roeping'als mensch, als burger, als christen, en in welke andere betrekking de Heere u moge hebben gesteld. Hierom wordt het u bang om het hart wanneer gij het een in verband beschouwt met het ander. Ziet gij op het verleden, dan vreest gij in de toekomst de straf van toen bedreven zonden ; ziet gij op het heden, gij gevoelt u dan ellendig en magteloos, waar op den sluijer der toekomst voor uw oog allerlei schrikbeelden geteekend staan.

Neen, bevreemden kan het ons niet u te Jiooren vragen en klagen: wat zal er ook nu zijn ? En geen oo°-enblik manen wij u van dat ernstig peinzen af. Uwe bekommernis is niet zonder grond.

En hebben wij, Geliefden, groote reden om, ziende op

Sluiten