Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeg zij hun: „weet gij wel dat gij ook eens moet bekeerd worden, zoo gij in den Hemel zult kunnen gaan? en zoo gij ook gaarne in den hemel zoudt willen wezen, zoo moet gij van jongs af, den Weg daartoe inslaan, en naarstig leeren en God op uwe knieën bidden dat Hij Ü ook wil bekeeren en lust geven om hem te zoeken, en laat toch alle stoutheid na, want dat is de weg naar de hel, laat u toch gehoorzaam onderwijzen, opdat gij zoo van jongs af tot eer van God moogt zijn, en gedenkt aan uwen Schepper in de dagen nwer jongeling-, schap, en als gij oud zult geworden zijn, zult gij daarvan niet afwijken; denkt er toch aan dat ik u dit gezegd hebbe." '

XXIII. Dus heeft ze elk tot verwondering aangesproken en opgewekt om in die standplaats, waar God ze in gesteld had, getrouw te zijn, maar op deh Heere te wachten, en naar Hem op te zien, bijzonder wekte zij Gods kinderen op, om in al hetgeen haar ontmoette of bejegende, hetzij voor-' of tegenspoed, maar op den Heere te wachten en op Hem te zien, en al hun zaken in Zijn hand over te geven, dat Hij het wel met hen maken zou; ook zeide zij, dat men zeggen zoude tot dezulken van Gods kinderen, die in veel verlangen naar de heerlijkheid leefden, dat, ofschoon de Heere nog wat vertoefde, dat ze Hem maar verbeiden zoude; want, zeide zij, Hij zal komen, Hij zal gewisselijk komen, en Hij zal niet achterblijven.

XXIV. Dus gesproken hebbende, lag zij een weinig si.], meenende dat haar tijd toen zeer nabij was, zeide ze: „lk heb daar mijn ziel in de hand van Jezus bevolen en het is of er

Sluiten