Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ds. Immens daarop zeide: „als God u evenwel deed opkomen?" was haar antwoord: ?ik geloof het niet, doch als het zoo was, ik ver- ' wachte dan Gods genade, dat die mij zoude bekwaam maken." .,

XXIX Als ds. Immens zoude weggaan, zeide zii: „spreek ik niet te breed van mij zeiven? doch, zeide ze, haar zeiven antwoordende, uet is niet het mijne maar tot roem van Gods genade over mij. Toen vroeg zy zeer bescheidenlijk: „heb ik mijn afscheid wel van u genomen, ik blijf U dankbaar voor alle uwe liefde, L allés, en ook op mijn sterfbed aan mij bewezen, ik wensch over uw persoon al hetwenschelijke, en het verkwikkelijke over uw huis en kinderen, dat ze een zaad van den Heere gezegend mogen zijn, en dat ga m tn ïoor hfar bekeering nog eens verblijd moog worden, en wensch dat God uwen dienst wil zegenen omtrant goddeloozen, vromen en goeden,. en8 als g? eens op uw doodbedde zult bggen, Zt de Heere u dan zal willen verkwikken * Ut zeide ze onder zeer veel krachtige ui drukkingen, en dit is ook het laatste dat zy met ds. Immens heeft gesproken. 7^vA^ XXX Dien nacht, zijnde tusschen Zaterdag en Zondag, sliep z« nog redelijk wel, en werf ten drie ure wakker, doch hoorende, dat bet nog zoo vroeg was, zoo zeide zij: ik ga nog wft siapen en zal mij in de armen van Jezus nederleggen, en zoo sliep zij, immers was stil, tot Zondagmorgen ten zeven ure, wanneer zi verzocht dat uit haar naam een bSe aan ds, Immens zou worden gezondenom Toor haa; in de kerk te bidder, en^zeide dat men hem zou laten weten dat het met de

Sluiten