Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om maar wat mede te zeggen, maar dat de Heere zelf getuige was* dat ze zich duizemK maal en duizendmaal aan Hem in eenzaamheid had opgedragen, en dat het een blijk was van haar oprechtheid.

XXXIII. Zij zeide ook, dat zij zien konde, dat God sedert een jaar haar had willen bereiden tot den dood en eeuwigheid, omdat ze haar hart zoo gedurig afgetrokken vond van al wat ia de wereld was, en dat ze meeivbegeerte vond naar de onmiddellijke gemeenschap Gods en zeide: dat ze den geheelen zomer zeer veel had opgehad met dat liedje uit Lodenstein:

Ach, Heere Jezus! trek Gij 't harte, Dat U genegen is, enz.,

want dat ze haar hart zoo genegen vond naar den Heere Jezus; en dan ook het tweede liedje uit Loden stein: Hoe hijgt mijn ziel, aanmagtig moe, Van 'teind- en vruchtloos zoeken enz.

XXXIV. Nu op haar doodbed leggende, heet ze deze volgende versjes met veel nadruk uitgegalmd :

Ik roep verbaasd: mijn Bruidegom!

Mijn lieve Jezus, ach, waarom

Slaat Gij 't oog van uw goedigheid, Op mijn geringe dienstbaarheid?

lw dienstmaagd is niet waard den schoen,

Van uwe knechten los te doen. Ziet Gij op mij, o Heer! uw maagd, 't Geschied dan, als uw Woord gewaagt.

Sluiten