Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook had zij veel op met dat Liedje uit Lodenstew, in het besiffen van Gods hooghei 1 en waardigheid. c

o, Heilig, heilig licht! XXXV. Als men haar zocht te vertoonen zij nu nabij was, en de Heere Jezus als gereed stond om haar tot Hem te nemen, en wat een geluk het was dat God haar daartoe gehelde te verwaardigen, riep zij uit met veel verwondennge: „O wat zal dat zijn een kostbare parel m de hand van den Heere Jezus te zijn die Hij dierbaar acht, daar Hij van zegt, de kostelijke kinderen Sions, die Hij rekent als z»jn kleinodiën.! Wat zal dat zijn, onder die te zijn, die hunne krooneh van vrije genade voer

t* T-fïV1? het Lam neerleggen, om Hem heerlijkheid- te geven, den Koning te zien in zijne schoonheid, en, dat ik zoo gelukkig mag zijn, dat God mij, zoo een ellendig, zondig schepsel, daartoe verwaardigd, onder die weinigen te zijn! ik heb het niet durven gelooven maar nu mag en kan ik zeggen: Jezus is de ™%n.e e,n,]k ben de Zijne; en niet alleen is zijne hefde tot mij, maar mijn genegenheid is tot Hem, o wat is de Heere Jezus nietdiernaar! AI wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Ach, mogt ik maar bij hem zijn. Heere Jezus! kom maar haastelijk om mij over te halen, o, nu ondervinde ik wat het is te zeggen: met een eeuwige liefde heb ik n liefgehad, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid. Wat heeft God een groote ontferming over zijn volk! Hoe nadrukkelijk is het, dat God zegt: Ezech. 34 : 31: Gij nu, mijne schapen! God noemt hen schapen,

Sluiten