Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want onz' God is vriend'lijk en goed Een Zon en Schild tot ons behoedt,

Die ons geeft eer ende genade, Die de vroomen in geenen nood, Verlaten zal tot in den dood.

Geen ding ontbreekt hem, vroeg noch spade, Zalig is hij, die op Hem bouwt, En hem van harte gansch vertrouwt.

En in het slot van den 31sten Psalm:

Hebt God lief gij, Zijne uitverkoren!

Die de vromen behoedt,

En de wreeden verdoet, Zijt kloek, geeft den moed niet verloren,

Want God wil die aanschouwen,

Die op Hem vast betrouwen.

Nu bevind ik wat het te zeggen is als hart en vleesch bezwijkt, nu is God de Rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid; nu kan ik zeggen: de Heere is mijn deel, zegt mijn ziele; daarom zal ik op Hem hopen. Ach, was ik maar voor den Troon."

O eeuwigheid kom ras,

Ach, dat ik bij u was, 'k Zucht naar u onverdroten,

Wat is 't o eeuwigheid!

Dat gij zoo wenschlijk zijt, Al zijt gij nooit genooten,

Daar ?al ik eeuwig zijn,

In Bruidegom aanschijn, En hebben vrij genieten,

En na een eeuv\ig zien,

Sluiten