Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoóger heil ik nimmer kenne,

Dan te dienen dezen Heer, Als ik mij aan Hem gewenne,

Dat 's mijn schat, mijn lust en eer. Maar of eens uw ziel geraakte

In der Englenrei en zeid' Met de zielen der volmaakte,

Vlekkeloos lof, in eeuwigheid.

XLVI. Zij zeide ook, hoe dierbaar het was met Jezus te verkeeren, en om te gaan, en in Zijne g meenschap te leven.

Hier en komen geen onvromen,

Hier en komt geen vromen bij, Groot noch kleine, maar alleen, Ik en Heere Jezus Gij. O zalig eenzaam, Met God gemeenzaam, Daar ik vrolijk ben en blij, In dat oordeel in te treen, enz.

Zij zeide ook dat versje:

Daar dan, mijn Heer, daar is mijn hert, Daar is mijn ziel, die door u werd,

Om U tot U gedrongen, Al zeidt Gij. houdt voor u een deel, Ik zou niet kunnen, 't wordt geheel Door U tot U gedrongen.

XLVII. Toen lag ze weder eenigen tijd stil, zonder te kunnen spreken; maar omtrent Zondags des namiddags begon zij wat zacht bij zich zeiven te spreken en aan haar gebaren kon men zien haar werkzaamheid die groot was,

Sluiten