Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot U te brenge*, daar boodt Gij U zeiven aan, Om zelfs tot in den dood voor baar te willen gaan, Daar hebt Gij mij doen zien, al de genadegoederen, Die Gij hebt weggelegd voor mij en al debroederen, Daar hebt Gij ook mijn hart, verzegelt door

uw Geest, . , f

Zoodat zijn werk in mij in waarheid is geweest. Daar hebt Gij mij doen zien al uwe heerlijkheid, Die Gij voor eeuwig mij daar al had toebereid. Ja, mijn ziele gij geniet, Alles, wat uw oog thans ziet.

Toen zeide ze wederom tot, den Heere Je/u?:

Welnu, mijn lieve vriend, ik heb u uitverkoren, Wel kom dan Jezusliefrai, wil naar mij nu hooren Ai lieve Jez* s! kom, ai kom, o zoete Held! Ai kom, mijn bruidegom, ga met mij mee in tveld.

Ach, kom nu, Jezus! kom

Ik ben uw eigendom, In leven en in dood, o Vader! zie mij fan, En neem mij door uw Zoon, tot uwe dochter«an, Hij zeide: Ik neem u aan, mijn kind, mijn4iu-

verkoren! , Ik hebbe op U gezien, eer gij nog waart geboren.

LH Hierop zeide ze wederom tusschenbeide: haal' in, haal in; gaat in, gaat in; en voorts dit volgende tot bemoediging van God-s volk:

Wel zielen Gods, uw werk is nog niet afgedaan, Doch blijft op uwen post maar edelmoedig staan. Ai, weest toch maar getrouw, uw tijd zal ook

eens komen, • Dat gij in heerlijkheid zult worden opgenomen.

Sluiten