Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent acht dagen voor haren dood, vroegen hare ouders des morgens hoe het met haar was, waarop zij zeide dat zij zeer zwak was en verhaalde dat zij, eer zy sliep, wijs was gemaakt dat zij dien nacht sterven zoude, en uit benaauwdheid aan 't bidden was geraakt en biddende was ingeslapen, hetwelk haar bedroefde, en, voegde zij er bij, zulk een ellendig schepsel ben ik, dat ik alleen maar in zulke- voorkomende nooden zoek geholpen te worden.

Dan, Zaturdags zijnde twee dagen voor haren dood besloten hare ouders in weerwil van de teederheid huns harten haar echter de oogenschijnelijke met rassche schreden aan naderende dood aan te kondigen.

Deze aankondiging en het meer en meer doordringen van het water in de borst veroorzaakte haar eene meer en meer toenemende uit-, doch vooral inwendige benaauwdheid, zoodat men eindelijk haar deze verzuchtiging hoorde uitboezemen: Ach Heer! mogt het licht eens voor mij opgaan, opdat ik weet waar ik henen ga. Hare ouders vroegen daarop aaa haar,

willen wij die eens bij U verzoeken? waarop

zij antwoordde, och neen Vader laat die man maar weg. Hierop vroeg hare moeder weder: wel Adriana zijt gij dan afkeerig van hem? waarop zij weder antwoordde, och moeder vraag mij niet meer. Evenwel sproot dit niet uit afkeerigheid voort, maar omdat de vijanden, zooals zij daarna betuigde, ze zoo aanvochten wat zij tegen dien man zeggen zoude en indien hij iets vroeg, wat zij antwoorden zoude.

Eenigen tijd daarna verzochten zij dien man echter om eens bij haar te komen, welke, bij haar komende des Zondags morgens omtrent vijf uren haar vroeg hoe het met haar was, waarop zij antwoordde, hoewel met eene zwakke stem, want zij kon geen twee of drie woorden aan elkander spreken; och dien over-

Sluiten