Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zvn dc veertig dagen voor Paschcn, de Quater-

tpmnnrilafffin. en zekere Vieiliedagen door het iaer.

K V. Wat profyt doen wy met vasten? A. Wy bedwingen onze kwade lusten, verzoenen de goddelyke gramschap, en voldoen voor onze zonden.

5. V. Aen wien zyn wy schuldig te biechten?

A. Acn onzen Pastoor, of aen iemand die van hem of van den Bisschop of van den Paus van Booraen dacrtoe magt ontvangen heeft.

6. V. Hoe dikwyls moet men biechten?

A. Als men in doodzonde gevallen is; hetwelk men niet langer mag uitstellen, als cr gcvaer is van te sterven; en naer het gebod der H. Kerk is het van noode alle jaren eens te biechten.

7. V. Wanneer moet men het Ligchaèm des Heeren nutten?

A* Ten minste eens 's jaers, elk in zyne Parochie, binnen de veertien dagen omtrent Paschen, te weten van Palmen-Zondag tot Beloken-Paschen.

8. V. Wat is er van noode om wel te communiceren? A. Ten eerste, dat wy waerachtiglyk gelooven dat

Christus daer tegenwoordig is; ten tweede, dat wy nuchter zyn en zuiver van zonden.

9. V. In wat quderdom is men schuldig het II. Sahrament te onlvanaen?

A. Als men gekomen is tot de jaren van discretie of verstand.'

Sluiten