Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

De regehng van het onderwijs in Nederland schijnt onder geen gelukkig gesternte te staan; meer dan twintig jaren zijn verloopen sinds de wettelijke organisatie van het onderwijs in zijn geheelen omvang werd beloofd, en wel, zoo luidt het in de mdditionneele artikelen.-» van de Grondwet van 1848, «zoo mogelijk in dezelfde zitting (volgende op de afkondiging van de gewijzigde Grondwet) of in elk geval niet later dan ^ de daarop volgenden Die belofte werd niet vervuld; tien jaren bijna gingen voorbij, vóór de wet op het lager onderwijs (1857) tot stand kwam. Alweer eenige jaren tusschenruimte, eer de wet regelende het middelbaar onderwijs (.1863) werd vastgesteld, en nu in 1869wachten de gymnasiën en hoogescholen nog altijd op eene hervorming overeenkomstig den geest des tijds en de sedert lang gevoelde, dringende behoefte. Jaren lang werd er in Holland over de leemten en gebreken van deze inrichtingen van onderwijs geklaagd en een tal van brochures hadden daaraan haar oorsprong te danken. Een der redenen van dezen tragen gang van zaken is misschien daarin gelegen, dat het onderwijs bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken is gevoegd. Dit departement is zoo veelomvattend, dat men het den Minister, die zich aan het hoofd daarvan bevindt, waarlijk niet ten kwade kan duiden, wanneer hij met den besten wil onmogelijk gelegenheid vindt om van het onderwijs een bepaalde studie te maken. Ultra posse nemo tenetur, en het is vreemd, dat men niet reeds lang op de gedachte kwam om aan het departement van Binnenlandsche Zaken een afzonderlijk departement toe te voegen voor onderwijs; dit zou zonder twijfel in het belang zijn eener goede administratie, en alleen overdreven zuinigheid kan er eenig be-

Sluiten