Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoölogie kan men in de laagste klasse van het gymnasium met twee uren per week volstaan en daarmee de leerlingen zonder te veel van hen te vergen, al datgene meedeelen, wat zij noodig hebben. Het doelmatigst is het zoo in te richten, dat des winters zoölogie en 's zomers botanie gedoceerd wordt. Van het onderwijs in de mineralogie kan hier nog geen sprake zijn, daar dit met eenigen kans op goeden uitslag hier nog niet gegeven kan worden. Hier toch is het niet genoeg, dat de leerlingen een juist opmerkingsvermogen bezitten, dat bij deze onderwerpen een onmisbaar vereischte is, zij moeten hier ook eenigszins bekend z\jn met de beginselen der anorganische scheikunde en ook eenig begrip hebben van de hoogere meetkunst, zonder welke de kristalvorming hun moeilijk duidelijk kan gemaakt worden.

Het zij mij vergnnd hier eenige regelen op te nemen van het ontwerp tot organisatie van de Oostenrijksche gymnasiën; de opmerkingen, die daar gemaakt worden, zijn mijns inziens volkomen juist en waar. «De omringende natuur,» lezen wij daar, «boezemt in den regel reeds de leerlingen van de laagste klasse meer of minder belangstelling in; bijzondere verschijnselen in de natuur trekken hun aandacht; sommigen hebben zelfs verzamelingen van voorwerpen uit een van de rijken der natuur; wijkt een of ander natuurverschijnsel van den gewonen loop af, zij willen de oorzaak daarvan kennen. Het onderwijs in de natuurlijke geschiedenis moet zich bij dit alles aansluiten, er op voortbouwen, het moet ten doel hebben het oog van den leerling te verruimen, en beginnende met die voorwerpen en verschijnselen, die onder het bereik ligggen van de zintuigen, hem wijzen op en bekend maken met de voornaamste natuurwetten; daardoor wordt de blik van den leerling gescherpt, z\jn waarnemingsvermogen ontwikkeld; hij stelt zich niet langer met de oppervlakkige waarneming tevreden, maar leert doordringen tot de eerste oorzaken efi zoo alles begrijpen in zijn samenhang.»

De bedoeling in het Oostenrijksche ontwerp is natuurlijk niet af te dalen tot de kleinste wetenschappelijke bijzonderheden, integendeel, het onderwijs in de natuurkunde op de gymnasiën moet altijd van de zinnelijke waarneming uitgaan en daarop terug keeren. De

Sluiten