Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van hen, die zich op de studie der genees-, heel-en verloskunde toeleggen, worden vereischt de bewijzen dat zij het Latijn, het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch in genoegzame mate verstaan om de wetenschappelijke schrijvers in die talen met vrucht te kunnen lezen; verder: « Nederlandsche taal en letterkunde, wiskunde, de eerste beginselen der natuur-, schei-, delfstof-, aard-, plantenen dierkunde.» Die bepaling is werkelijk zonderling. Van een beoefenaar der natuurkundige wetenschappen zal geen kennis van aardrijkskunde, noch van geschiedenis verlangd worden! Kan men op den naam van beschaafd man aanspraak maken, wanneer men van deze vakken niets afweet? Staat denatuurlyke gechiedenis niet in het nauwste verband met de aardrijkskunde? En moeten zij, die in de natuurwetenschappen zullen studeeren, niet meer weten dan de beginselen? Wanneer, zooals uit dit ontwerp blijkt, bij de latere examina veel hooger eischen in eenige dezer wetenschappen gesteld worden, is dit examen zeker overbodig, of het moet alleen gelden als voorwaarde van toelating tot de academische lessen. Het laat zich nog eenigermate verdedigen, wanneer van de aanstaande studenten zulk een examen wordt afgenomen, dat zich tot de algemeene kennis in die vakken bepaalt, maar van hen die naar het meesterschap in de genees-, heel- en verloskunde dingen, niet meer te verlangen dan de beginselen is zeker meer dan vreemd. De toekomstige arts moet, dunkt mij, iets meer van deze vakken afweten dan de eerste beginselen.

Eindelijk kan men ook nog een zoogenaamd algemeen examen afleggen. Van welk beginsel de ontwerper bij de bepaling van de leervakken, die hierbij ter sprake komen, is uitgegaan, is mij niet duidelijk, en uit de « memorie van toelichting » worden wij niet veel wijzer; er wordt over dit «algemeen examen» met geen enkel woord gesproken.

In het algemeen is reeds het splitsen ,der examina af te keuren, en het weinige dat daarover in de «memorie van toelichting » wordt gezegd, zal zeker niet strekken om iemand daarmeê te ' verzoenen. Ik geloof niet, dat ik te ver ga, wanneer ik beweer, dat de ontwerper niet ernstig heeft nagedacht, welk een scha-

3

Sluiten