Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijls leert dat op het gebied van het onderwijs zeer noodig is.

Dat er op de Nederlandsche akademiën veel te weinig leerstoelen zijn, zal niemand ontkennen, die eenigszins begrip heeft van de hoogte, waarop tegenwoordig de verschillende wetenschappen staan. Gaan wij maar even de Series Lectionum na en zien wij welke colleges in 1866—1867 op de akademiën in Holland werden gegeven. De juridische faculteit te Leiden telt 6 professoren, die gezamenlijk 15 colleges gaven; hetzelfde geschiedt in Utrecht met 5 professoren; in Groningen zie ik 5 professoren en 13 colleges opgegeven. De Medische faculteit te Leiden heeft 7 professoren, Utrechte, Groningen 5, het aantal colleges bedraagt respectievelijk 17, 13 en 15. Nog sterker valt het geringe aantal professoren in het oog bij de wis- en natuurkundige faculteit en bij die der Bespiegelende Wijsbegeerte en Letteren; te Leiden heeft men aan eerstgenoemde 7 professoren, te Utrecht 6, te Groningen 5; aan de laatste te Leiden 8, te Utrecht en Groningen 5. Wil men al het gebrekkige hiervan inzien, men vergelijke Holland's akademiën met de kleinere Duitsche universiteiten. Te Leiden moet een professor anorganische en organische scheikunde, physiologische scheikunde en artsenij bereidkunde doceeren; te Groningen bovendien nog technologische scheikunde. De hoogleeraar voor de mathematische wetenschappen staat geheel alleen voor dit zoo uitgebreid gebied. De historische hulpwetenschappen zijn öf niet öf zeer schaars vertegenwoordigd. Het staatsrecht moet eveneens door éen persoon onderwezen worden.

Welk uitzicht geeft ons het wetsontwerp dat aan dezen achterlijken toestand een einde zal komen ? Geen; ook na de hervorming van het hooger onderwijs kan men met deze wet meer op de schouders van éen man laden als hij dragen kan. Een hoogleeraar is daarbij niet enkel geroepen om colleges te geven, men verwacht van hem en terecht, dat hij ook op het gebied zijner wetenschap iets leveren zal, maar dit is hoogst moeilijk wanneer men zich bewegen moet in verschillende wetenschappen.

Het gaat mijn begrip te boven, hoe een minister zich met zulke algemeene, niets bepalende uitdrukkingen tevreden kan stellen , en dit te meer omdat in dit opzicht het rapport der staats-

Sluiten