Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekkelijk maken, zich spitsen op geestigheden, jacht maken op aardigheden; de geleerde is volstrekt niet verheven boven de gewone dagelijksche menschelijke kleingeestigheid; dikwijls is hij ijdel genoeg zijn eigen verdienste in de hoogte te steken en die van zijn tegenstander te verkleinen; kwakzalverij is nergens geheel te weren.

Daarbij komen nog onaangenaamheden van verschillenden aard met de studenten. « Wilt ge dus, « zegt Thiersch,» den hoogleeraar zijne zelfstandigheid, de wetenschap hare waardigheid , de studenten goed onderwijs waarborgen, begin dan vóór alles met van de collegies niet langer eene geldquaestie te maken, ge zult daarmee den professoralen dampkring van veel kleingeestige intrigues zuiveren, die ook uit hier den mammon opstijgen. Eerst wanneer deze machtigste en kwaadaardigste aller duivelen uit de zalen der universiteit verdreven is en dezen dan nog eens zijn gedesinfecteerd, zal de wetenschap hier zuiver, niet langer verontreinigd door wangunst, grootspraak en hebzucht, gediend kunnen worden.» (1) Wordt deze uitspraak door de ervaring bevestigd? Kan men uit de geschiedenis der universiteiten het bewijs leveren, dat die gebreken een gevolg zijn van de inrichting, waarbij de collegiegelden aan de professoren komen, en zij den bloei en de ontwikkeling van de universiteiten ondermijnen? De onpartijdige beoordeelaar zal zonder twijfel terstond ontkennend antwoorden. In Duitschland bestaat dit gebruik sinds oude tijden en zooveel mij bekend is, heeft het geen aanleiding gegeven om de Duitsche akademiën in miscrediet te brengen en nijd en wangunst, twee hartstochten die diepe wortelen hebben in het menschelijk hart, uitsluitend in de professorale kringen te doen bloeien. Men ga nauwkeurig de geschiedenis der universiteiten na en men zal zien, dat deze inrichtingen daar, waar de collegiegelden aan het Rijk komen, geheel op dezelfde hoogten staan als die waar de professoren ze ontvangen. In Beieren en Oostenrijk vindt men genoeg bewijzen om deze bewering te staven. Men vergelijke eens de Oostenrijksche akademiën vóór en na het jaar 1849. Vóór dien tijd konden de hoogleeraren geen aanspraak maken op de collegiegelden; na dien

0) Thiemh, Vier die gelehrten Schalen, Bd. II. S. 841,

Sluiten