Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd is dit veranderd, en toch staan de universiteiten tegenwoordig hooger dan vóór 1849. Ik beweer niet, dat dit uitsluitend het gevolg is van deze verandering, maar wel houd ik mij overtuigd, dat zij er niet toe bijgedragen heeft om die gebreken te doen ontstaan, die men gewoonlijk op rekening stelt van het heffen van collegie-gelden ten behoeve van de professoren. Ook indien de Staat in Duitschland of in Oostenrijk de professoren voor de collegie-gelden wilde schadeloosstellen , zou dit ook met den besten wil geheel ondoenlijk zijn; het bewijs levert Oostenrijk, waar de quaestie der jaarwedden van de professoren tegenwoordig aan de orde is. Er zij n professoren, die een inkomen hebben van f 10,000 en meer; het is niet meer dan een rechtmatige belooning voor hun onvermoeid streven en hun zeldzame bekwaamheden. Staan sommige faculteiten van de akademiën in Frankrijk hooger dan die in Duitschland, toch weet men ook daar uitstekende talenten goed te beloonen.

Op het gebied der wetenschap strekt evenzeer als op elk ander gebied van menschelijken arbeid, de wedijver niet weinig tot spoorslag van den vooruitgang, en wat moedigt den man meer aan dan wanneer hij weet, dat zijne welvaart voor een goed deel afhankelijk is van zijne werkzaamheid. Geheel waar is wat F. Thiersch hierover zegt: « Men heeft volkomen recht, wanneer men van den vertegenwoordiger der wetenschap eischt, dat hij boven alles den spoorslag tot den arbeid zal vinden in zich zeiven, in het bewustzijn van zijn plicht te doen, wanneer men eischt dat hij zijne belooning in de eerste plaats zoekt in de ontwikkeling zijner leerlingen, in het nuttig zijn voor de wetenschap die hij beoefent, wanneer men zegt: een hoogleeraar, die niet door deze edele gevoelens bezield wordt en gedreven, is een daglooner in den tempel der wetenschap en doet zijn stand oneer aan; maar men vergete niet, dat de maatschappij nu eenmaal zoo is ingericht, dat het welslagen van alle dingen dan het meest bevorderd wordt, wanneer hetgeen edel is en roemrijk, gepaard gaat met de vervulling van die wenschen, die aan onze maatschappelijke positie onafscheidelijk verbonden zijn, wanneer met het welzijn

(1) Thiersch, Uier die gelehrten Schulen, Bd. II. S. 347.

Sluiten