Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mannen Broeders!

Toen het geachte Moderamen onzer Vereeniging de vraag tot mij richtte om een inleidend woord van twintig minuten te spreken over „de verhouding van de locale gemeenten tot de Ned. Herv. Kerk in haar geheel, met het oog op de geschiedenis en op het begrip Kerk", gevoelde ik mij zeer verlegen, zoowel van wege de kortheid des tijds, als van wege de groote belangrijkheid en moeielijkheid van dit onderwerp.

Ik behoor tot die godgeleerden, die wel veel hebben gedaan voor het leeren kennen, en wellicht ook iets aan het helpen wijzigen van onze kerkelijke reglementen, doch iemand, die als doorkneed in het kerkrecht geprezen wordt, heeft openlijk verklaard dat dit op zichzelf geen wetenschappelijke studie is, maar veeleer geschikt om die studie te belemmeren. Dat het Moderamen de vraag richtte tot iemand, van wien de mannen van het vak reeds a priori getuigen dat hij niet de geschikte persoon is, komt ter verantwoording van die broeders; hoewel ik, wat mijzelven betreft, zeer geneigd ben de uitspraak van dien deskundige te onderschrijven, toch had ik geen vrijmoedigheid een weigerend antwoord te geven, omdat het reeds de tweede maal was dat het Moderamen mij het bespreken eener Kerkrechterlijke vraag wilde opdragen.

De verhouding van de locale gemeenten tot de Kerk in haar geheel is van het hoogste gewicht, zoowel met het oog op de Kerk zelve, als met het oog op de verhouding van deze tot den Staat. Ons vroeger medelid Dr. F. L. Rutgers heeft naar waarheid gezegd, dat deze kwestie hoe langer hoe sterker zich doet gelden, en tot op zekere hoogte den toestand beheerscht. En waarlijk, het ontbreekt niet aan pogingen van die zijde om de vraag van het Kerkverband de question brulante van den dag te doen

Sluiten